Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ooah/" hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik spreken".

Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en lichtgeloovigen toehoorder een lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de bende van Addick en den Roode-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen, niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zichtbaar te laten als noodig was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo bekwaam weten te groepeeren, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zooals de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.

„Ik zal mij geen aanmerkingen veroorlooven," verzekerde hij ten slotte: „mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewicht van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft."

„Atoyac heeft slechts één woord," antwoordde de Sachem, „dat mijn vader daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewicht; laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken."

't Is mogelijk," hervatte de jager sluw, „dat de twee Sachems de «bleekgezichten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelókt; misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen meester worden."

„Neen," antwoordde Atoyac met een somberen blik, „hun doel kan niet anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken ; zonder dat zouden de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de Roode-Wolf onder toezicht van den gouverneur, over de krijgsmacht in de stad het bevel zal voeren." „ Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Roode-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren.

De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hun afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na een korte woordenwisseling met den krijgsman, die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer met zijn geleider binnengelaten.

De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig tegemoet; hij bespiedde den jager met wantrouwende scherpe blikken, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan.

Zijn antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem, naar de

Sluiten