Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der jonge meisjes te onderzoeken.

Het hart van den Canadees klopte, voor hem tenminste, met ongewone slagen, en het zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijn positie was kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijn kalmte niet zou kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden door zich zeiven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijn komst op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijn volkomen vermomming reeds op het eerste gezicht mochten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan haar bekend maakte; want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die baar in dit gevaarlijke comediespel was toebedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager bestormden, brachten hem tegen wil en dank in een zeer ernstige stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.

Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Nauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bracht.

Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, zooals de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.

Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking te veroorlooven; alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte om hem te verlaten, eerbiedig bij den slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, zeide hij met een zachte stem: *

„Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen."

„Belangrjjk nieuws!" herhaalde de opperpriester en keek den spreker met een vragenden blik aan.

„Ja,'' zei Atoyac. ?§ï"ff5

„Iets dat mij aangaat?" vervolgde de opperpriester langzaam. Atoyac glimlachte vertrouwelijk.

Dat zou ik wel denken; het heeft betrekking op den Roode-Wolf en Addick."

De Amantzin huiverde onmerkbaar.

„Ik ben oogenblikkelijk terug," zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde bij : „Kom, tlacateotzin."

Sluiten