Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar wat moet ik doen ?" vroeg dona Laura zacht." „Wachten en geduld hebben." „Wat 1 wilt gij vertrekken ?"

„Gaat gij ons reeds weder verlaten?" riepen beiden tegelijk met schrik.

„Ik kom terug; laat da£ aan mij over; nog eens, hoopt het geduld."

„O 1 als gy ons verlaat en ons niet redt," riep Laura geheel ontroostbaar, „dan moeten wij zeker sterven."

„Ach, heb medelijden met ons 1" prevelde dona Luisa.

„Verlaat u op mij, arme kinderen," antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. „Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, en ik zal u redden."

„Heb dank I" riepen beiden.

De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur stil. Loer-Vogel wenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezicht in een ernstige plooi, en rukte driftig de deur open ; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hy dezen niet zag en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin, bleef stom van verbazing staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hy' de deur, die de jager achter zich had opengelaten, en volgde toen, daar hy' werkelijk bang voor hem was, den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand. De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom.

^ Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zy' elkander in de armen en

"barstten in tranen uit.

XXXVI.

EEN ONTMOETING.

Het Indiaansch opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.

De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk een ontstuimige wijze de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven vol bijgeloovige vrees op eenige passen afstand van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken.

Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van een druk-

Aimard. Spoorzoeker. 6e dr. 46

Sluiten