Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was een vraag die de jager, ondanks al zijn geslepenheid, niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met een schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijn hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam er in iedere hand een, richtte zich half op en met de oogen geopend en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zien gereed om iederen vijand, wie het ook wezen mocht, moedig het hoofd te bieden.

Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Tevergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: niet de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.

En toch had Loer-Vogel zich niet vergist; hij had maar al te duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke van te kunnen beseffen; zoo dicht in uw nabijheid, misschien geen twee passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u gericht is; te weten dat hy er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep om hem voor onzichtbaar gevaar te behoeden, en dan zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, gruwzamer dan de dood zelf.

Voorzeker was Loer--Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam, bewees in hem een vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, dit zou het ergste niet geweest zijn, maar het vooruitzicht op de wreedaardige folteringen, die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slachtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit het verscheurde lichaam te tappen. Na een kwartier de vreeselijkste verwachtingen moedig te hebben volgehouden, voelde hij zich de haren te bergen rijzen, en gutste hem het koude zweet van de slapen.

„Duizend duivels 1" mompelde hij in zich zeiven, „moet ik mij dan zoo laten worgen ? Genadige hemel I wat er ook gebeure, ik moet weten wat er is."

Oogenblikkelyk, als door een springveer opgestooten, stond hy op de beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkeren schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door een onzichtbare hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den ty'd had om een schreeuw te geven ; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezicht hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hy' slaakte een half gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zyn lot afwachtend. Op dit oogenblik echter dat hy den doodeUjken slag meende te zullen ontvangen, voelde hy' de hand, die hem by de keel hield zich ontsluiten, en sprak een schertsende stem.:

„Sta op, machtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewyzen dat gij in myn macht zyt."

Sluiten