Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. De andere vervolgde:

„Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, enom^vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren ?"

Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra Hïj zijn pistolen weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hy wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijn voeten te hebben geworpen, was onvoorzichtig genoeg geweest om hem zijn vrije beweging terug te geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.

„Ik geef u niets, Roode-Wolf," antwoordde hij kordaat; „waarom hebt gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?"

De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelyk herkend zag.

„Waarom ik u niet gedood heb, hond ?" was zijn wedervraag, „is omdat ik medelijden met u had."

„Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem 1" hervatte de jager onverschrokken ; „het is toch geheel iets anders om een vyand op het slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almachtige hand hem beschermt; Gy waart bang, zeg ik u."

De jager had niet misgeraden; het was juist deze bygeloovige vrees, die den Roodhuid zyn hand zoo schielyk deed terughouden, toen hy de macht had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.

„Ik zal u dit niet betwisten," antwoordde de Roode-Wolf; „maar zeg mij toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet."

„Maar ik ken u, ik," riep Loer-Vogel; „de Wacondah gaf mij uw tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uw goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom rijns tempels te bezoedelen."

De Indiaan meesmuilde.

„Gij gaat te ver, toovenaar," zeide hij spotachtig; „zonder een oogenblik van zwakheid, die ik my zeiven verwyt, waart gij een kind des doods geweest I"

„Misschien 1 maar wat wilt gij van my ?"

„Weet gij dat niet? gij, voor wien, zoo als gij zegt, niets verborgen is."

„Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen."

De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon: „Hoor eens, toovenaar, öf gy rijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij rijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen zin wil ik myn twyfel opgelost zien. Wee u 1 zoo gij mij zoekt te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uw huid, u aan riemen van het lyf gesneden, de teugels van mijn paard versieren;'daarentegen, zoo gy waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan my."

Sluiten