Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„tk veracht uwen haat, en ik verlang uw vriendschap niet, Roode-Wolf," antwoordde de jager op plechtigen toon; „uw machtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken."

Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de RoodeWolf de uwe zijn."

De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.

„Alsof het zoo moeilijk is, te raden wat een man des bloeds wil," hervatte Loer-Vogel. „Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der bleekgezichten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de zorg van uw medeplichtige waren toevertrouwd, op te lichten. Op heden hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt saamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zeiven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zgn en die, wat erger is, weet dat gij u bovendien van de hoogste macht zoekt meester te maken, om u tot gouverneur en chef van QuiepaTani te doen benoemen, zit gij thans in 't nauw en hebt gij u zeiven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien, of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de macht die mjj ten dienste staat de schoone gevangene te helpen bemachtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde met haar te vluchten, eer men een middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is dit alles ? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid vergeten ? Of heb ik inderdaad uw gansche gedachten geraden ? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft I"

De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij naar den toovenaar luisterde, zouden een studie waard zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met nauwelijks hoorbare stem:

„Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijn wetenschap is onbeperkt I Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen ? Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten." **$Sp!''4

„Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf," hervatte de jager, „ga nu heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken."

„Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen ?" vroeg de Sachem schroomvallig en op deemoedigen toon. „Wel zeker, ik doe reeds veel voor u." „Wat doet mijn vader?"

„Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood aan mijn voeten te doen nederstorten."

De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Roode-Wolf, daar al zijn aandacht gericht was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de jager

Sluiten