Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijn gefronste wenkbrauwen ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem:

„Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen ?"

„Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal kunnen bewegen."

„Mijn gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets aan veranderen." »

„Ooah I maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Roode-Wolf wel willen helpen."

„Neen, zeg ik u."

„Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen ?" „Ik wil het niet.

„Is dit mijns vaders laatste woord ?" „Mijn laatste woord."

„Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard I" riep de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand woest vooruitdrong en een enkel seconde dreigend voor den jager staan bleef.

Deze had den Inidaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het oog gehouden en op al zijn bewegingen nauwkeurig gelet. Hij kende het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken ; hij voorzag dus duidelijk wat deze in den zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat.

De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich van achteren op de Roode-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep en dien met zooveel kracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt was het mes los te laten ; daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.

De arm van den Roode-Wolf viel hem machteloos langs het lijf, maar hij slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijn gelaatstrekken veranderden, zyn oogen rolden wild in hunne kassen, een stuipachtige beweging deed zijn geheele lichaam trillen,hij stortte voor Loer-Yogel op de knieën en prevelde met een door angst gebroken stem:

„Vergeving 1 vader 1 vergeving!"

De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling, die voor hem geknield lag, in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op.een toon van de uiterste minachting:

„Raap uw wapen op, moordenaar I"

Tot eenig antwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem machteloos langs het lijf hing.

Sluiten