Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij hebt het zelf zoo gewild," hernam de jager; „had ik u niet gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde ? Ga heen, keer naar uw calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is en maak dat gij den volgenden avond tegen zonsondergang met uw prauw aan den oever der rivier zijt, beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt ; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu."

„Ik zal myn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijn hulp hier vandaan ? De geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijn tegenwoordigheid ben ?"

„Dat is zoo. Gij zijt genoeg gestraft; sta op en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom."

De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten ; zijn muitzieke geest was gebroken, de ruwe. les welke hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter zulk een bjjgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind.

De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trap af en bracht hem tot aan de uiterste straat.

Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.

„Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde," sprak hij op een toon van gemengde goedaardigheid «n gestrengheid; „binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch maak u deze les ten nutte, ongelukkige, morgenavond zult gij mij wederzien; ga nu, mijn hulp is hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uw calli bereiken."

„Ik zal het beproeven," antwoordde de Sachem deemoedig.

Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijn wandeling naar huis.

Loer-Vogel volgde hem een poos met de oogen, trad tóen weder in den tempel en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich dicht.

Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet langer toeven zou te verschijnen.

XXXVII.

VERWIKKELINGEN.

Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden.

Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, keerde in diep gepeins naar het kamp terug, waar zijn kameraden hem met ongeduld wachtten.

Sluiten