Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeiingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.

Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hg op de gedachte was gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.

„Canarios 1" riep hij, „wij zullen wel doen door waakzaam te zgn, zoo wij eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden."

„Ja," antwoordde don Miguel, „ik geloof dat wij alle reden hebben om op te passen en ons niet te laten overrompelen."

„Hm I" sprak Vrij-Kogel, „het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836 — ik was destijds..."

„En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel," zei don Leo, den jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond Weef zitten. „Ik verwijt mij zeiven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken."

„Hij is niet alleen," hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel, dat hij den Vliegende-Arend en zijn cihuatl, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft.

Don Miguel keek den jager scherp aan.

„Stelt gg zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel ?" vroeg hij.

„Hm I" grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, „dat kan er naar wezen, maar als ge mij in 't algemeen naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen, dat ik ze geen zier vertrouw."

„Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en een of ander vreeselijk onheil ducht."

„Zijn vermomming was niettemin volmaakt."

„Dat laat ik daar ; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slachtoffer wordt van verraad ?"

„Hei wat!" riep Vrij-Kogel, „verraad 1 wien noemt gij een verrader!"

„Wel, wien anders dan den Vliegende-Arend, carambo I of zgn vrouw, want dat zijn de eenigste twee die hem kennen."

„Hoor eens, don Miguel," hervatte thans Vrg-Kogel met ernst, „vergun mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk ; gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik."

„Ik !" riep de jonkman barsch. „Wel en waarom dat, zoo 't u blieft 1"

„Omdat gij de lieden, die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer weinig en dat alleen bij geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegende-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerste maal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang hij nu in ons ge-

Sluiten