Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja." •

„Hm I dat is een vraag, don Miguel, die ik nauwelyks kan beantwoorden."

„Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen, waarin wy ons bevinden."

„Dat zeker; wij zouden wel moeten."

„Maar hoe dan ?"

„Hoe dan ? Ja, ik weet werkelijk niet wat ik doen zou. Kyk, ik bén geen maft die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich by voorbaat reeds het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor het oogenblik, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft afgeschoten, al heel wat zou willen geven om, in die vervloekte stad te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen."

„Spreekt gij de waarheid ? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen ?" riep don Miguel verheugd.

De jager zag hem verwonderd aan.

„Twijfelt gij daaraan ?" vroeg hij. „Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen ?"

„Maak u niet boos, oude vriend," hernam don. Miguel met drift: „uw verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven."

„Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jongmensen," antwoordde de jager nadrukkelijk.

„Heb maar geen vrees," riep don Miguel glimlachend; „ik beloof u, in het vervolg zal ik er nooit weer aan twyfelen."

„Zooveel te beter, wij willen het hopen."

„Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij samen de zaak ondernemen."

„Om in de stad te gaan ?" „Ja 1"

„Waarachtig I nu, dat noem ik een plan I" riep Vrij-Kogel verrukt. „Vindt gij niet ?"

„Zeker; maar hoe komen wij er in ?" „Laat dat maar aan mij over."

„Goed 1 dan bemoei ik er mij niet mede; maai* er is nog iets anders." „En dat is?"

„Dat wij ons niet kunnen vertoonen zoo als wij hier zijn," zei de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; „ik zou des noods, als ik mijn gezicht en mijn handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid."

„Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum weten te maken, waarop gij niets zult kunnen aanmerken. Vermomt gij u intusschen zooals gij goedvindt."

„Dan zal ik er spoedig mee klaar zijn."

„En ik ook."

Sluiten