Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mannen stonden beiden vroolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen. Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien.

Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.

„Is het u waarlijk ernst, caballeros 1" vroeg hij.

„Wel zeker, Senor don Mariano," antwoordden zij, zoo ernstig als ooit." „Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u."

„Loop heen 1" riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; „zijt gij dwaas, don Mariano ? wat zoudt gij met ons mee doen ? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van hun taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen ? Gij loopt moedwillig in den dood I"

„Neen," antwoordde de grijsaard vastberaden, „ik verlang mijn kind weder te zien!"

Don "Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende, en juist van blik, begreep hij de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hun onderneming na zich zou sleepen.

„Neem mij niet kwalijk, caballero," zeide hij, .„maar als ik u dit zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht."

„Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte' en dat hij nooit dacht te zullen omarmen."

„Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen verliezen."

„Wat zegt gij daar ?"

„Niets dan de eenvoudige waarheid; don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen wagen, die wij nauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat ? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt ? en dus begrijpt gij, zeer goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen; een mensch sterft maar eens, en of dat vandaag of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig."

Don Mariano slaakte een zucht.

„Ik was dwaas," mompelde hij, „ik wist niet wat ik zeide; vergeef mg, ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien."

„Verlaat u op ons, arme vader," hervatte don Miguel edelaardig; „uit hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zyn bereid het onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is."

Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jonkman de hand en zonk machteloos op den grond.

De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen tocht

Sluiten