Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.

Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeielijk om hun Costuums in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidselen waren afgeloopen, stelde don Miguel het commando der quadrilla in handen van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide avonturiers van hun kameraden afscheid, schouderden hun buksen, die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, vergezeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van aanval zou regelen en zijn mannen plaatsen, om op het eerste sein hun vrienden ter hulp te kunnen snellen.

XXXVIII.

EEN NACHTELIJKE VERKENNING.

De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten.

Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor rich uit, op ongeveer anderhalf uur afstands, de stad te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen.

De nacht daalde snel; de duisternis nam van minuut tot minuut toe, en smolt alles weldra tot een sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen aanslag dien zij in zin hadden, te wagen.

Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen.

Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeielijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gaan of er van daan kwamen, en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen.

De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming.

In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze moeielijkheden die zij op hun weg ontmoetten en de hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.

Al

Ainuurd. Spoorzoeker. 6* dr.

Sluiten