Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij hadden alleen hun doel in 't oog gehouden.

Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen.

Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwyl de gevaren en moeilijkheden zichtbaar grooter werden.

Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzichten te laat; het was nu geen tijd meer om terug te treden ; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging.

Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in de prairie en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverleede gewend aan de heldere nachtschemering.

Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.

Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid van zijn metgezel, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, vooreerst om een menschelijke stem te hooren — een reden die misschien onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huiselijkheid is omgegaan en vrij van de gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben ; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich eenmaal aan de hopelooze onderneming had gewaagd, gaarne van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven. ■

Intusschen liepen de avonturiers, zelfs dicht bij de stad en op een geheel open terrein weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mochten hebben geacht' eenige mannen uit te'zenden om den omtrek te bewaken.

De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig samen praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.

Vry-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad te wekken, terwyl hy' een voldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende aanmerking:

„Wel I wel I de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voordat wij zijn waar wij wezen moeten dat ware erger."

„Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt," antwoordde don Miguel, „dat is meer dan noodig is."

„Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zyn." „Dat weet ik zeker."

„Nu, zooveel te beter, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen."

Sluiten