Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt."

„Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle richtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op een nachtelijke expeditie uitga."

„Kom!"

't Is op mijn woord van eer waar 1" riep de jager; „de eerste keer was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad een nadere beschrijving."

„Hoe zoo ?" vroeg don Miguel min of meer verstrooid.

„Wel omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren; toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgelicht. Het was in het jaar 1835 ; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, om zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten er niets anders op te verzinnen dan een nicht van den kommandant op het fort Mackensie*) te schaken; maar "

„Luister I" riep don Miguel, hem opeens bij den arm vattend, „hoort gij niets ?"

De Canadees, ofschoon plotseling in. zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef een oogenblik staan, ging daarna plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde luchtig het hoofd.

„Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten," zeide hij.

„Weet gij het zeker ?"

„Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren." Werkelijk had de jager dit nauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes klonk op korten afstand.

„Ziet gij?" zeide de Canadees droogjes. „Inderdaad," antwoordde don Miguel.

En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.

„Apropo I" begon Vrij-Kogel weder, „gij weet wat wij samen hebben afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet."

„Ik zelf weet het evenmin," antwoordde de jonkman; „maar ik heb mij heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren nauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen."

„Hm!" zeide Vrij-Kogel, „uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te rijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen."

„Daar hebben wij kans op."

„Niet onaardig; maar zonder u een aanmerking te maken, zou ik het liever anders willen, wanneer het mogelijk was."

„Dat vooruitzicht schrikt u dan ten minste niet af?"

„Mij — in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij

1) Zie Vrij-Kogel.

Sluiten