Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij bukte in de prauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging , deze antwoordde hem met een paar woorden.

„Goed 1 Hét is waar," zeide de jager zich oprichtende, „er is geen ander middel op."

Hij stuurde thans de prauw recht op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe.

„Ooah ƒ mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur."

„Dat is zoo," antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; „maar ik breng ook een goede vracht visch mede."

„Ei I" riep de krijgsman nieuwsgierig, „mag ik die even zien ?"

„Mijn broeder mag ze niet alleen zien," hernam de Canadees beleefd, „maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken."

„Ooah / mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem uw aanbod aan."

„Hm 1" zei Vrij-Kogel; „die arme stakker, 't is wonderlijk zoo gauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden," en met deze philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal.

Weldra stootte de prauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod van den Canadees Verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, om het op het droge te halen.

„Ooah/" riep hij, „inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want de boot is zwaar."

Dit zeggende bukte hij, om aan zijn pogingen meer kracht bij te zetten en de prauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel er eensklaps uitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn geweer toebracht, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.

„Ha 1" zei Vrij-Kogel, terwijl hij op zijn beurt aan land stapte, „die zal ons tenminste vooreerst niet verraden."

„Daar dienen wij zeker van te zijn," zei don Miguel, „wij moeten ons van hem ontdoen."

„Dat is gemakkelijk genoeg."

De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de prauw en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.

De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming; hoe zouden zy te midden der duisternis terecht komen, in een stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend vinden ? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om op te lossen.

„Bah !" riep Vrij-Kogel, „het eene spoor is niet moeielijker te vinden dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij zien."

„Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen."

Sluiten