Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen."

„Op dit uurl dat zal dunkt mij vrij moeielijk gaan."

„Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt ; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verplicht rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel bericht doen — den grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel I ja, vervolgde hij lachende, een vroolijkheid waarin don Miguel met geheel zijn hart deelde.

Het was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden eener stad, waar zij in ieder burger een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden ; ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten alsof hun toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.

„Wel, het is hier een aardig doolhof!" hervatte Vrij-Kogel; „vindt gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt ?"

„Wie weetl misschien komen wy er nog beter af dan wij denken."

„Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen."

„Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den rechten weg."

„Ik help het u wenschen I Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere."

De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar dé binnenstad liep.

Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zyn voortgewandeld, bevonden zy zich reeds op het groote plein.

„Ziedaar I" riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, „wat zegt gij nu; hebben wij ons te beklagen ? Het geluk schijnt ons te dienen ; maar dat moet ook wel 1" vervolgde hij, „want de fortuin dient de gekken, en wat mij betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie."

„Stil I" riep don Miguel schielijk, „daar komt iemand."

„Waar ?"

De jonkman wees met de hand in de richting van den Zonnetempel. „Daar 1" antwoordde hij.

„Inderdaad !" mompelde Vrij-Kogel; „maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt op zijn hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken ?"

Na een korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zoo gemakkelijk ging, daar de maan juist, was opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats te veranderen, maar bleef altyd op hetzelfde punt waar zij hem het eerst ontdekt hadden; hij stond eenigszins voorover gebogen, met het oor tegen de deurtempel en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vry-Kogel waren geen twintig passen

Sluiten