Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik begrijp u niet, hoofdman ; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen ? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar."

„Myn broeder zal zien," antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de macht om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager tegemoet.' Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een en zei vol verbazing:

„Vrij-Kogel en don Miguel hier 1 Barmhartige hemel 1 Wat moet er nu van ons worden ?"

„Moet gij ons op zulk een wijze ontvangen, oude vriend ?" riep don Miguel getroffen.

„Maar wat doet gij in 's Hemels naam hier ?" vroeg de jager. „Welke verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed staat, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd is ?"

„Wij zijn volstrekt niet hier om uw plannen in den weg te staan; integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan."

„Ik zeg u wel hartelijk dank voor uw goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen ?"

„O, zeer gemakkelijk," antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hy' in korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was.

De jager schudde het hoofd.

„Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar zal het toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt ? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen."

„Dat kan wel zijn I" antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden."

„Dat wil ik wel gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te.gissen welke die reden kan zijn."

„Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen."

„Spreek."

„Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult," hervatte don Leo met nadruk op ieder woord; „ik wil en zal dona Laura zien." „Dona Laura zien ? dat is onmogelijk 1" riep Loer-Vogel. „Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal." „Gij zijt dwaas I don Miguel, het is een onmogelijkheid, zeg ik u." De avonturier haalde de schouders op.

„Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal!" riep hij standvastig; „zelfs al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het."

„Maar hoe zult gij het aanleggen?".

„Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel een middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad ?"

Sluiten