Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo 1" riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht ; „maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zgn onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is ?"

„Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen, ik moet gehoorzamen."

Op deze verzekering boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht thans den jager, om hem zijn volgende plannen toe te vertrouwen.

„Die zal myn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijn gevangenen bezocht heeft," antwoordde Loer-Vogel; „maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reeds naderen. Dat myn vader hem terstond binnenleide."

Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.

Don Miguel trad binnen; dank rij de voorzorg van den Vliegende-Arend, was hij geheel onkenbaar.

Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid gedurende de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnnetempel verlieten.

Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.

„Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen ?" vroeg hij met een ernstige stem.

De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.

Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bracht, en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens argwaan hij niet langer durfde trotseeren en die hunne komst met ongeduld verbeidde.

„Moed gehouden!" riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; „alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over."

„Wel ?" vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.

Loer-Vogel richtte zich op in zijn volle reusachtige lengte, nam een houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met een welluidende stem, op ontzagwekkenden toon:

„Hoort gij, machtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende zonnen rijn tertzauh — van kwade beduidenis — maar op den avond van den derden dag, zoodra de mezteli — de maan — haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel' der Zon een vigonia ram bereiden, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien' tijd zal zegenen

Sluiten