Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dooden in den naam van Teotl x); daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de lichamen der gevangenen verlaat, zich van een der inwoners van de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen zelve naar den heuvel geleiden."

„Maar," merkte de opperpriester aan, „een der gevangenen is te zwak om het bed waar zij op rust te verlaten."

„Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen."

De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs.

„Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn," vervolgde de onverstoorbare Canadees, „zal hij vier der dapperste krijslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den machtigen Amantzin en allen die met hem zijn* een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt."

„De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen:

„Ofschoon de Wacondah ons helpt en macht geeft om te triomfeeren, moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmeen zal, den nacht, die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen ?"

„Hm!" meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; „maar wat krijg ik daar voor ?"

Loer-Vogel keek hem strak aan.

„De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd."

Dit zeide de jager'op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid:

"Goed, ik doe het."

„Mijn vader is een wijze," riep de opperpriester, wiens voorhoofd aanmerkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der merriën hoorde spreken; „de Wacondah is met hem."

^Mijn zoon is goed," was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee mannen afscheid.

Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten.

Terwijl zij samen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde LoerVogel aan zijn kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inder-

1) De onbekende Oodheid.

Sluiten