Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zyn langst, en dan, dan..."

Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.

„Zeg, Loer-Vogel," hervatte hij, „zoudt gij denken dat God mjj vergeven zal ?"

„Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed 1" „Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was," zei Vrij-Kogel: „maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Góds barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade." „Hoop vrij, vriend, hoop 1"

„Ja, ja," hervatte hij een oogenblik later: „ik wist wel dat dë Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was den Estevan die mjj trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een Wolf in een knip."

Hier werd zgn stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zgn leven begon snel af te nemen.

„Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen," zei Loer-Vogel.

„Is hij dood I Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren I Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad 1 Wij zullen niet meer samen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen Waar is de Vliegende-Arend ?"

„Hij vervolgt de Roodhuiden.1

„O 1 hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van. .."

Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zgn mond op te vangen, zag hem aan.

Hij was dood.

De eerzame jager had zgn ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zgn ouden kameraad.

Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zgn twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.

Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezicht, hij opende de oogen; eenige seconden poogde hij zgn gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, richtte zich half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met een uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart seinen.

„Don Miguel," zeide hij mei een luide stem, „zorg voor haar 1 Laura, gij bemint hem, wees gelukkig ! Ik zegen u, mijn kinderen 1 O, God I vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken, Hemelsche Vader ! ontvang mij in uw schoot. Mijn kinderen, mijn kinderen 1 tot weerziens I"

Sluiten