Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zijn ouders. Heeft hij ouders? Als hij ze had, zouden ze hem reeds lang gezocht en in die acht jaar zeker wel gevonden hebben. Bah! wat ben ik dom geweest om te gelooven, dat zijn ouders op een goeden dag te voorschijn zouden komen en ons de moeite, die we aan zijn opvoeding besteed hebben, zouden betalen. Ik ben een domkop, een ezel geweest. Dat hij in fijne luiers gewikkeld lag en kant aan zijn goed had, bewees nog niet, dat zijn ouders hem zoeken zouden. Bovendien zijn zij misschien dood.

— En zoo ze dat niet zijn? Als ze hem eens komen opeischen? Ik geloof stellig, dat zij komen zullen.

Wat zijn die vrouwen toch koppig! —Nu, als zij komen?

— Welnu, dan zenden wij ze naar het gesticht. Maar genoeg hierover; het verveelt mij. Morgen zal ik hem bij den burgemeester brengen. Vanavond ga ik naar Francois. Binnen een uur ben ik terug.

De deur ging open en weer toe. Hij was vertrokken.

Ik zette mij plotseling overeind en riep vrouw Barberin. — O, moeder!

Zij snelde naar mij toe. — Zult gij mij naar het gesticht laten gaan?

— Neen, lieve Rémi, neen? Zij gaf mij een kus en drukte mij in haar armeh. Die liefkoozing gaf mij weer een weinig moed en ik begon te weènen.

— Gij sliept dus niet? fluisterde zij. — Dat was mijn schuld niet.

— Nu, ik beknor u ook niet, dus hebt gij alles gehoord, wat Jéröme zei?

— Ja, gij zijt mijn moeder niet, maar hij is ook mijn vader niet.

Ik zei dit niet op denzelfden toon, want al speet het mij,/tiat zij mijn moeder niet was, het deed mij toch genoegen; ik was er trotsch op, dat hij mijn vader niet was. Vandaar die tegenstrijdigheid in mijn gevoelens, die in mijn stem lag opgesloten. Maar vrouw Barberin sloeg daar geen acht op.

— Misschien had ik u de waarheid reeds vroeger moeten zeggen, maar ik hield zooveel van u, of ge werkelijk mijn eigen'kind waart, zoodat ik, zonder aanleiding er niet toe komen kon, u te zeggen, dat ik uw moeder niet was Uw moeder, lieveling, dat hebt gij gehoord, is niet bekend. Leeft zij, ja of neen. Dat weet men niet. Toen Jéröme op een morgen in Parijs, zich naar zijn werk begaf en door de straat Breteuil ging, een breede straat, die aan beide zijden met boomen beplant is, hoorde hij een kind schreien. Het scheen van achter een deur te komen. Het was in Februari en nog zeer vroeg in den ochtend Hij naderde de deur en zag een kind op den drempel liggen. Juist toen hij iemand wilde roepen, zag hij een man, die zich achter een dikken boom verscholen" nad, hard wegloopen. Ongetwijfeld had die man zich daar verborgen om te zien, of men het kind, dat hij daar had neergelegd, vinden zou. Jéróme wist met wat te doen, daar het kind uit alle macht schreeuwde, alsof het begreep dat er hulp was komen opdagen en het die gelegenheid niet voorbij moest laten gaan. Terwijl Jéróme bij zich zelf overlegde Wat hem te doen stond, voegden zich andere ambachtslieden bij hem en men was het eens, dat hij het kind bij den commissaris brengen moest. Het huilde maar altijd door. Waarschijnlijk had de kleine het koud. Maar, daar het op het bureau van politie zeer warm was en het bleef weenen, meende men dat het honger had en ging men een buurvrouw halen, die hem de borst kon geven. Hij begon terstond te zuigen en scheen uitgehongerd. Men kleedde hem toen bij de kachel uit Het was een flinke jongen, vijf of zes maanden oud, groot, dik en rooskleurig: de kleeren, waarin hij gewikkeld was, gaven duidelijk te kennen, dat hij van aanzienlijke familie moest zijn. Het was dus een kind, dat men gestolen had en thans weer kwijt wilde zijn. Dit ten minste meende de commissaris. Wat zou men er mee doen? Toen hij alles opgeschreven had, wat Jéróme hem had medegedeeld en ook het kind beschreven was, en al de kleeren, die het droeg welke ongemerkt waren, had opgeteekend, zei de commissaris, dat hij het naar het vondelingsgesticht zou zenden, indien niemand onder de aanwezigen er zich mede belasten wilde: het was een mooi, gezond, stevig kind, dat niet moeilijk, groot te brengen zou zijn; de ouders die het eenmaal zouden zoeken, zouden de verzorgers stellig ruim beloonen. Jéróme trad toen naderbij en zei, dat hii het wilde meenemen. Men gaf het hem. Ik had juist een kind van denzelfden leeftijd; maar ik kon er wel twee voeden. En zoo ben ik uw moeder geworden

— O, moeder!

- Drie maanden later verloor ik mijn eigen kind en ik hechtte mij toen nog meer aan u. Ik vergat, dat gij mijn zoon niet waart. Ongelukkig echter onthield

Sluiten