Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jéröme dit en toen uw ouders u in drie jaar niet gezocht hadden, ten minste u met gevonden hadden, wilde hij u naar het gesticht brengen. Gij hebt gehoord, waarom ik hem niet heb gehoorzaamd.

— O, laat mij niet naar het gesticht gaan, riep ik, terwijl ik mij aan haar vastklemde; och toe, vrouw Barberin, zend mij, bid ik u, niet naar het vondelmgshuis.

— Neen, ik beloof u, mijn kind, ge zult niet gaan. Ik zal er voor zorgen. Jéröme is geen slecht mensch, dat zult ge wel zien; hij heeft verdriet en maakt zich over onze toekomst bezorgd." Wij zullen werken en gij immers ook?

— Ja, ik zal alles doen, wat gij wilt. Maar zendt mij niet naar het gesticht.

— Gij zult niet gaan, op ééne voorwaarde: dat ge nu dadelijk gaat slapen. Wanneer hij thuis komt, moet hij u niet wakker vinden. Zij gaf mij daarop nog een kus en ik ging weer met mijn neus tegen den muur liggen.

_ Ik had gaarne willen inslapen; maar ik was te veel van streek, te zenuwachtig om terstond mijn kalmte terug te krijgen en in slaap te vallen.

Dus was die goede vrouw Barberin mijn moeder niet! Maar wie was dan eigenlijk mijn moeder? Zou die nog beter, nog liever wezen? Neen, dat was onmogelijk. Maar wat ik begreep, wat ik voelde, was, dat een vader minder ruw, minder wreed zou zijn geweest dan Barberin en mij niet zoo boos, met een opgeheven stok, zou hebben aangezien. Hij wilde mij naar het vondelingsgesticht zenden; zou vrouw Barberin dat kunnen verhinderen?

Wat was een vondelingsgesticht? In het dorp waren twee kinderen, die me» „de kinderen van het gesticht" noemde; zij droegen een looden plaatje met een nummer om den hals; zij waren slecht en slordig gekleed: ze kregen zelfs slaag en de kinderen uit de buurt liepen ze dikwijls na, zooals men een hond zonder meester najaagt, ook omdat een hond zonder meester niemand heeft, die hem beschermen kan.

O, ik wil niet als die kinderen zijn; ik wil geen nummer om mijn hals dra