Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik weet niet, wat ik doen moet.

— Juist daarom is uw spel zoo goed. Morgen, binnen weinige dagen, dan zult ge wel weten, wat gij doen moet; maar dan moet gij u de ■verlegenheid herinneren, waarin gij thans verkeert eh veinzen, hetgeen gij dan niet meer gevoelt. Als gij dan deze uitdrukking en houding kunt aannemen, dan voorspel ik u een prachtig succes. Wat moet gij in mijn stuk voorstellen? Een boerenknaap, die niets gezien heeft en niets weel; deze komt bij een aap en hij is veel onhandiger en veel onwetender dan de aap, vandaar de tweede titel: „De domste van de twee is niet, dien men denkt". Dommer te zijn dan Joli Coeur, dat is uw rol. Om die nu goed te vervullen, behoeft ge slechts te wezen, zooals ge thans zijt; maar daar dit op den duur onmogelijk is, moet ge u voor den geest brengen, wat gij geweest zijt en met eenige kunst worden, wat gij van nature niet meer wezen zult.

DeknechtVandenheerJol i-C o e u r was geen groot stuk en de voorstelling duurde niet langer dan twintig minuten. Maar voor onze repetitie waren drie uur noodig; Vitalis liet ons twee-, drie-, vier-, ja tienmaal hetzelfde overdoen, zoowel de honden als mij. Deze toch hadden gedeelten van hun rol vergeten en moesten die thans opnieuw leeren.

De zachtheid en het geduld, die mijn meester hierbij aan den dag legde, verbaasdén mij ten sterkste. Zoo behandelde men de dieren niet in ons dorp, waar vloeken en slaan het eenige middel was, dat men tot hun opvoeding aanwendde. Hij maakte zich gedurende deze lange repetitie geen enkele maal boos; hij vloekte in het geheel niet.

— Laten wij maar weer eens beginnen, zei hij op ernstigen toon, wanneer hetgeen hij gevraagd had, niet gelukt was; dat is niet goed, Joli-Coeur; gij Capi, gij let niet op, ik zal u moeten beknorren.

Dat was alles; maar toch was het genoeg.

— Welnu, vroeg hij mij, toen de repetitie geëindigd was, gelooft gij, dat gij aan het komedie spelen gewoon zult raken?

— Ik weet het niet. — Verveelt het je? — Neen, integendeel.'

— Dan zal het wel gelukken; gij hebt geest en wat nog meer waard is, gij zijt oplettend; met oplettendheid en ijver komt men er altijd. Zie mijn honden eens en vergelijk ze met Joli-Coeur. Joli-Coeur is misschien levendiger en verstandiger, maar hij toont geen ijver. Hij neemt gemakkelijk aan, wat men hem leert, maar hij vergeet het even spoedig. Bovendien doet hij het ook i nooit met hart en ziel; gaarne zou hij zich steeds verzetten en altijd wil hij het tegenovergestelde. Dat is zoo zijn natuur en daarom word ik ook nooit boos op hem; de aap heeft niet, zooals de honden, een geweten, dat hem gebiedt zijn plicht te doen, en daarom staat hij veel lager dan zij. Begrijpt gij dat?

— Ik geloof het weL

— Wees dus oplettend, mijn jongen en ijverig; doe, hetgeen gij doen moet, altijd zoo goed mogelijk. Daarop slechts komt het in het leven aan.

Terwijl hij zoo tot mij sprak, waagde ik het hem te zeggen, wat mij het meest onder de repetitie verwonderd had: zijn onuitputtelijk geduld, waarvan hij het bewijs had gegeven, zoowel met Joli-Coeur en de honden als met mij. Hij glimlachte toen even.

— Men kan wel zien, dat gij tot nog toe slechts met boeren geleefd hebt, die hun dieren zeer wreed behandelen en die meenen, dat mèn ze slechts met stokslagen regeeren kan. Dat is een zeer groote dwaling; door geweld krijgt men weinig gedaan, terwijl men met zachtheid alles overwint. Ik heb van mijn dieren juist door een zachte behandeling gemaakt, wat ze thans zijn. Als ik ze geslagen had, zouden ze bang voor mij wezen en de vrees benevelt. het verstand. Bovendien zou ik, wanneer ik driftig werd, niet wezen, wie ik ben en ik zou thans niet dat onuitputtelijk geduld bezitten, dat mij uw vertrouwen heeft doen winnen. Hij, die anderen onderwijst, onderwijst tevens zich zelf. Miju honden 'hebben mij evenveel lessen gegeven, als zij van mij ontvangen hebben. Ik heb hun verstand ontwikkeld, zij hebben mijn karakter gevormd.

Hetgeen ik hoorde, scheen mij uiterst zonderling toe, en ik kon niet nalaten et om te lachen.

— Gij vindt dat zeer'zonderling, niet waar, dat een hond een mensch kan leeren? En toch is het waar. Denk eens na. Neemt gij aan, dat een hond onder den invloed van zijn meester staat? — O, zeer zeker.

— Dan zult ge ook begrijpen, dat de meester verplicht is over zich zelf te

Sluiten