Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen wij in onze herberg terugkwamen, maakte Vitalis mij zijn compliment en ik was zulk een goed komediant, dat ik trotsch was op zijn lofspraak.

IK LEER LEZEN. VIL

Ongetwijfeld bestond het gezelschap van den heer Vitalis uit voortreffelijke tooneelspelers, ik spreek hier van zijn honden en den aap - maar zij bezaten geen groote verscheidenheid van. gaven. Wanneer zij drie of vier voorstellingen gegeven hadden, kende men hun gansche repertoire; zij vielen altijd weer in herhaling. Vandaar dat wij niet lang in eenzelfde stad konden' blijven.

Drie dagen na onze aankomst in Ussel moesten wij ons weder op weg begeven. Waar zouden wij heengaan? "

Ik was vertrouwelijk genoeg met mijn meester geworden om deze vraag tè doen. — Kent gij het land? antwoordde hij mij, terwijl hij mij aanzag. - Neen

— Waarom vraagt gij mij dan, waar wij heengaan? — Om het te weten

— Wat te weten?

Ik wist niet, wat ik zeggen zou en hield het oog gericht op den weg, die zich als een begroeid dal voor mij uitstrekte.

— Al vertel ik u, vervolgde hij, dat wij naar Aurillac gaan, om ons vervolgens naar Bordeaux en van Bordeaux naar de Pyreneeën te begeven, wat hebt gij er dan nog aan?

— Maar kent u dan het land? — Ik ben er nooit geweest.

— En toch weet gij, waar wij heengaan?

Hij zag mij weder lang aan, alsof hij in mijn ziel wilde lezen.

— Gij kunt niet lezen, nietwaar? zei hij toen. — Neen.

— Weet gij wel, wat een boek is?

— Ja; men brengt boeken mee in de kerk; ik heb dikwijls mooie boeken gezien met prenten erin en met een leeren omslag.

— Goed; gij begrijpt dus, dat men gebeden in een boek kan zetten? — Ja

— Men kan er ook andere dingen in zetten. Als gij bidt, spreekt gij woorden die uw moeder u geleerd heeft, en die door uw oor den geest zijn doorgedrongen, en vervolgens op uw tong terugkomen, als gij ze uitspreekt. Welnu, zij die hun gebeden uit boe