Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die met mijn harp over mijn schouders gehangen had, verliet ik de herberg.

De waard stond op den drempel mij op te wachten. — Als er een brief komt, riep hij mij nog na, zal ik hem voor je bewaren.

Ik haastte mij om de stad te verlaten, want mijn honden hadden geen muilbanden voor. Wat zou ik antwoorden, als 'mij een agent van politie tegenkwam? Dat ik geen geld had om muilbanden te betalen? Dat was de waarheid; want als ik al mijn geld optelde, kon ik niet meer bij elkander krijgen, dan elf stuivers. En dat was niet genoeg voor zulk een toestel. Zou hij mij dan ook niet in hechtenis nemen? Als mijn meester en ik beiden in de gevangenis waren, wat zou er dan van de honden en van Joli-Coeur worden! Ik, die geheel alleen op de wereld stond, die vader noch moeder bezat, was op dit oogenblik directeur van een tooneelgezelschap en hoofd van een gezin en ik gevoelde dus de groote verantwoordelijkheid, die op mij rustte. Terwijl wij haastig voortliepen, hieven de honden telkens hun kopjes op en zagen mij met een smeekenden blik aan, alsof zij zeggen wilden: wij hebben honger.

Joli-Coeur, die op mijn reiszak zat, trok mij van tijd tot tijd aan mijn oor, om mij te dwingen naar hem om te zien. Hij wreef dan over zijn maag, hetgeen niet minder duidelijk zijn bedoeling te kennen gaf dan de blik der honden.

Ik had hun ook wel kunnen vertellen, dat ik honger had, want ik had evenmin als zij ontbeten, maar wat zou dat geholpen hebben?

Mijn elf stuivers konden ons geen ontbijt en een middagmaal verschaffen; wij moesten ons dus met één maal tevreden stellen, dat wij midden op den dag zouden gebruiken en dat voor twee gelden moest.

Daar de herberg, die wij verlaten hadden, op den weg naar Montpellier gelegen was, volgden wij natuurlijk die richting.

In mijn haast om een stad te verlaten, waarin wij gevaar hepen een agent van politie te ontmoeten, had ik mezelf geen rekenschap gegeven, waarheen de weg leidde; ik wilde niets liever dan mij zoo ver mogelijk van Toulouse verwijderen; al het overige was mij onverschillig. Naar welk land ik heenging boezemde mij weinig belang in; overal waar ik at en sliep zou men geld van mij eischen; de vraag waar ik een onderkomen zou vinden, was voor mij ook wel van het minste gewicht: het was in het hartje van den zomer en wij konden dus wel onder den blooten hemel slapen. Maar eten?

Ik geloof, dat ik wel twee uur lang, zonder ophouden, voortliep, niettegenstaande de honden mij telkens smeekend aanzagen en Joli-Coeur mij aan het oor trok en hoe langer hoe harder zijn maag wreef.

Eindelijk achtte ik mij ver genoeg van Toulouse verwijderd om niet bevreesd te zijn, dat ik mijn honden zou moeten muilbanden en ik trad den eersten den besten bakkerswinkel binnen. Ik vroeg om een brood van anderhalf pond.

— Gij moogt er wel een van twee pond nemen, zei de bakkersvrouw; daar zult gij met uw menagerie niet eens te veel aan hebben, want de arme dieren moogt ge wel goed voeden.

De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden. Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg over hebben om niet van honger om te komen en naar een gelegenheid om wat geld te verdienen uit te zien.

Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zei op geruststellenden toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij niet meer moest afwegen. — Goed, goed, gaf zij ten antwoord.

En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal, waartegen zij even duwde.

• — Dat is wat te veel, zei zij, nu, dat zullen we dan voor die twee centen rekenen. En zij liet de acht stuivers in haar laatje glijden.

Ik heb wel eens gezien, dat menschen, de centen, die zij ontvingen, teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarinede te doen; ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan; toch durfde ik ze niet ierugeischen en verliet ik zonder een woord te zeggen den winkel met mijn brood onder den arm.

Sluiten