Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij allerlei vragen hebben gedaan, maar Capi was te goed opgevoed, te goed gedrild, om zich een onbescheiden vraag te veroorlooven. Hij bepaalde er zich toe zijn nieuwsgierigheid aan den dag te leggen, en ik zag hoe zijn kaken beefden, door de pogingen, die hij deed, om zijn geblaf te onderdrukken.

Toen wij ver genoeg van het dorp waren verwijderd om zeker te zijn, dat de booze veldwachter niet meer komen zou, gaf ik een teeken met mijn hand en dadelijk vormden de drie honden een kring om mij; Capi stond in het midden en hield onbeweeglijk de oogen op mij gevestigd.

Het oogenblik was gekomen om hun de uitlegging te geven, die ze wachtten.

— Daar wij geen permissie hadden om te spelen, zei Ik, jaagt men ons weg

— En nu? vroeg Capi, met een beweging van zijn kop.

— Nu gaan vrij slapen onder den blooten hemel en avondeten hebben wij niet. Ui] het woord avondeten lieten allen een dof gebrom hooren.

Ik liet mijn drie stuivers zien.

— Ge weet, dat dit alles is, wat we bezitten; geven wij vanavond onze drie stuivers uit, dan hebben wij niets voor ons ontbijt van morgen. Daar wij vandaag gegeten hebben, komt het mij verstandiger voor aan den dag van morgen te denken. Ik stak de drie stuivers in mijn zak.

Capi en Dolce bogen onderworpen den kop, maar Zerbino, die niet altijd in zijn humeur was en bovendien een lekkerbek, ging voort met brommen Na een strengen blik, die hem echter niet tot zwijgen bracht, zei ik tot Capi:

— Verklaar eens aan Zerbino, wat hij niet schijnt te kunnen begrijpen. Wij moeten ons vandaag getroosten niet meer te eten, als wij morgen iets willen hebben. Dadelijk gaf Capi Zerbino een slag met zijn poot en een gedachtenwisseling tusschen hen volgde.

Dat woord gedachtenwjsseling vindt men misschien niet zeer juist, omdat het hier honden geldt; maar zeker is het toch, dat alle dieren een eigen manier hebben om elkaar iets mede te deelen. Als men in een huis gewoond heeft onder welks daklijst en kozijnen de zwaluwen nestelen, krijgt men al zeer spoedig de overtuiging, dat de vogeltjes niet enkel fluiten om een wijsje te doen hooren, wanneer zij, bij het aanbreken van den dag, zoo druk met elkander bezig zijn. Het zijn bepaalde gesprekken, die zij met elkander voeren; ernstige zaken, waarin woorden vol teederheid worden gewisseld, behandelen zij. hn de mieren van denzelfden stam kruisen, als zij elkander ontmoeten hun voelsprietjes. Moet men ook daaruit niet opmaken, dat zij elkaar het een of ander mededeelen, wat voor haar van belang is? Wat de honden betreft deze kunnen niet alleen spreken, maar ook lezen. Zie maar eens, hoe zij met hun neus in de lucht, of met den kop vlak op den grond de steenen en planten beruiken en dan eensklaps een oogenblik stilstaan bij een struik, of voor een mu.ur- wij menschen zien niets op die muren, maar de hond leest daarop allerlei bijzondere dingen in een geheimzinnig schrift, dat door ons zelfs niet wordt opgemerkt.

Wat Capi aan Zerbino meedeelde, verstond ik niet; want, zoo de honden al de taal der menschen verstaan, de menschen kennen die der dieren niet; ik zag alleen, dat Zerbino niet naar rede wilde luisteren en erop aandrong dat de drie stuivers vandaag nog zouden worden uitgegeven! Capi moest eindelijk wel boos worden en eerst toen hij zijn tanden had laten zien, gaf Zerbino, die met heel dapper was, toe. De vraag omtrent het avondeten was dus beslist, maar die van het nachtverblijf moest nog behandeld worden.

Gelukkig was het mooi weer; het was een warme dag geweest en in dezen tijd van 't jaar onder den blooten hemel te slapen, was zoo erg niet. Alleen moest men zijn slaapstee zoodanig inrichten, dat men geen last kon hebben van de wolven, zoo die er waren in dezen omtrek en — wat mij nog grooter gevaar scheen — van de veldwachters,-want voor ons waren die menschen nog meer te vreezen dan de wilde dieren. Wij moesten dus maar doorloopen den weg volgende, tot wij een goede schuilplaats hadden gevonden.

Het was een lange weg; de eene mijl volgde op de andere en de laatste rooskleurige gloed der ondergaande zon was reeds verdwenen, zonder dat wij nog een schuilplaats gevonden hadden. Er moest een besluit worden genomen.

Toen ik stilstond om op de plek, waar wij waren, den nacht door te brengen, bevonden wij ons in een bosch, waarin hier en daar eenige open vlakken waren, in het midden waarvan zich groote rotsklompen verhieven De plaats was zeer somber en verlaten, maar wij hadden geen keus en ik meende dat wij

Sluiten