Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen die granietblokken wel tegen de nachtelijke koude beschermd zouden zijn. Ik zeg „wij" en bedoel hiermede Joli-Coeur en mij zeiven, want wat de honden betreft, om hen behoefde ik mij zoo zwaar niet te bekommeren; zij zouden er de koorts niet van krijgen, of zij al een nachtje buiten sliepen. Maar voor me zeiven moest ik oppassen, want ik besefte al de verantwoordelijkheid, die op mij rustte. Wat zou er van mijn troep terechtkomen, als ik ziek werd? Wat zou ik beginnen, als ik Joli-Coeur moest verzorgen?

Wij sloegen nu terzijde van den weg af en volgden de opening tusschen de steenen, totdat ik vóór mij een groot rotsblok zag, zoodanig gevormd, dat er onder een soort van grot was en het bovengedeelte als een gewelf erover uitstak. In riie grot had de wind een groote massa verdorde dennenaalden bijeengedreven. Beter konden wij niet- verlangen; er was een matras om ons op uit te strekken, een dak om ons te beschutten; er ontbrak ons niets dan een stuk brood tot avondeten. Maar men moest maar trachten daar niet aan te denken. Het spreekwoord zegt terecht: wie Slaapt, voelt geen honger.

Vóór ik insliep, deelde ik aan Capi mee, dat wij op zijn waakzaamheid rekenden en in plaats van zich, evenals wij, op de dennenaalden neer te leggen, bleef het goede dier buiten onze grot om de wacht te houden. Ik kon nu gerust zijn, overtuigd, dat niemand bij ons zou komen, vóór ik gewaarschuwd was.

Hoewel hieromtrent gerustgesteld, kon ik toch niet maar zoo dadelijk op mijn matras van dennenaalden inslapen bij Joli-Coeur, die in mijn jas gewikkeld naast mij lag, en met Zerbino en Dolce aan mijn voeten. Mijn bezorgdheid was grooter dan mijn vermoeienis.

Deze eerste dag van mijn reis was slecht geweest; wat zou de dag van morgen opleveren? Ik had honger en dorst en ik bezat niet meer dan drie stuivers. Of ik ze al omkeerde en nog eens omkeerde in mijn zak, er bleven er altijd maar drie;' ik kwam niet boven dat getal.

Hoe zou ik mijn troepje in het leven houden en hoe mij zeiven, als ik morgen en de volgende dagen geen gelegenheid had om voorstellingen te geven? Muilbanden, een permissie om te zingen — hoe zou ik die bekomend Moesten wij dan allen van honger omkomen in een bosch? Sterven onder de struiken?

Terwijl ik over die treurige dingen dacht, keek ik naar de sterren, die boven mij aan den donkeren hemel flonkerden. Geen windje woei er. Overal doodelijke stilte; geen blaadje ritselde; geen vogel deed zich hooren; geen wiel kraakte op den weg; zoo ver mijn blik in die blauwe diepte reikte, was alles stil en ledig; eenzaam en verlaten waren wij. Ik voelde de tranen in mijn oogen komen; opeens begon ik te weenen. Arme vrouw Barberin! Arme Vitalis!

Ik lag voorover en liet mijn tranen in mijn handen vloeien, zonder dat ik ze kon tegenhouden. Daar voelde ik een warmen adem in -mijn haren; ijlings richtte ik mij op, een groote tong zacht en warm, lekte mijn wangen. Het was Capi, die mij had hooren weenen en mij kwam troosten, zooals hij mij ook tehulp was gekomen den eersten nacht, dat wij op reis waren.

Ik sloeg mijn beide armen om zijn hals en drukte een kus op zijn vochtigen snuit. Toen onderdrukte hij twee- of driemaal een zacht gekreun en het scheen, dat hij met mij weende. Toen ik wakker werd, was het helder dag; Capi zat tegenover me en keek mij aan. De vogels zongen in het gebladerte; in de verte, heel in de verte, hoorde ik het Angelus kleppen. De zon, die reeds hoog aan den hemel stond, wierp haar stralen uit, die warmte en kracht gaven, zoowel aan de grot als aan ons lichaam. Ons morgentoilet was spoedig gemaakt en wij begaven ons op weg in de richting, waar we het Angelus hoorden luiden. Daar was een dorp en zeker ook een bakker. Als men zonder eten is gaan slapen, doet de honger zich spoedig gevoelen.

Ik had mijn besluit genomen. Mijn drie stuivers zou ik uitgeven en daarna zouden wij zien. Toen ik in het dorp kwam, behoefde ik niet te vragen, waar de bakker woonde; ik rook zijn winkel reeds van verre; mijn reukorgaan was bijna even fijn als dat van de honden, zoodat reeds op een afstand de lucht van het warme brood door mij werd waargenomen.

Als het brood vijf stuivers per pond kost, heeft men niet veel voor drie stuivers; ieder kreeg een klein stukje, zoodat ons ontbijt 'spoedig afgeloopen was.

Nu was het oogenblik daar om te bedenken, hoe wij aan den kost moesten komen. Ik liep het dorp door, om te zien waar de gunstigste gelegenheid was voor een voorstelling en ook om de gezichten der menschen gade te slaan, teneinde daar uit te ontdekken, of ze ons al of niet gezind zouden wezen Mijn

Sluiten