Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Capi, die misschien zelf maar met tegenzin gehoorzaamd had aan het bevel, dat ook hij te streng achtte en hij had zich laten overwinnen. Moest ik hem beknorren en ook straffen. Daartoe had ik den moed niet; ik was niet in een stemming om anderen te kwellen; ik had al genoeg aan mijn eigen verdriet.

Daar Capi niet in zijn taak geslaagd was, bleef mij niet anders over dan af te wachten, of Zerbino ook terug zou willen komen. Ik kende hem genoeg om te weten, dat na een eerste vlaag van verzet, hij zich zou onderwerpen aan de straf en dat ik hem dus weldra berouwvol voor mij zou zien.

Ik strekte*mij onder een boom uit; Joli-Coeur had ik vastgemaakt, want ik was bang, dat hij lust zou krijgen om Zerbino te gaan opzoeken. Capi en Dolce lagen aan mijn voeten.

De tijd ging voorbij. Zerbino keerde nog maar niet terug. Onwillekeurig maakte de slaap zich van mij meester en ik sliep in. Toen ik wakker werd, stond de zon recht boven ons; uren waren er voorbijgegaan. Maar de zon behoefde mij niet te «eggen, dat de tijd voortgegaan was; mijn maag vertelde me, dat er uren waren verstreken sedert ik mijn stukje brood gegeten had. Van hun kant gaven ook de twee honden en Joli-Coeur mij op de duidelijkste wijze te kennen, dat zij honger hadden. Capi en Dolce door hun beklaaglijk voorkomen; Joli-Coeur door zijn dwaze sprongen. Zerbino was nog altijd niet terug.

Ik riep, ik floot, maar alles tevergeefs; hij verscheen niet; hij had goed ontbeten en rustte nu waarschijnlijk uit onder een struik. Mijn toestand werd moeielijk. Als ik wegging, zou hij ons uit het oog verliezen en nooit meer terugkomen; als ik bleef, miste ik de gelegenheid om eenige stuivers te verdienen voor een middagmaal. En de behoefte aan dat middagmaal werd hoe langer hoe grooter. De oogen van de honden waren wanhopend op de mijne gevestigd en Joli-Coeur wreef zijn buik en liet nu en dan een nijdig gebrom hooren. Daar de tijd voorbijging en Zerbino niet kwam, zond ik Capi er nogmaals op uit om zijn kameraad te halen, maar na verloop van een half uur kwam hij weer alleen terug en deed mij begrijpen, dat hij hem niet gevonden had. Wat nu te doen? Hoewel Zerbino straf verdiende en ons door zijn schuld in een alleronaangenaamsten toestand had gebracht, kon ik het niet over mij verkrijgen om hem te verlaten. Wat zou mijn meester zeggen, als ik hem zijn

drie honden niet terugbracht. En dan ik hield van dien schelm van een

Zerbino. Ik' besloot te wachten tot den avond, maar het was onmogelijk al dien tijd werkeloos te blijven met zulke hongerige magen, want de honger liet zich nog meer gelden, nu eroiiets was, dat ons eenige afleiding geven kon. Er moest iets gevonden worden, dat ons alle vier eenige afleiding schonk. Als wij maar vergeten konden, dat wij honger hadden, zouden wij hem in deze uren van eenzame verlatenheid veel minder voelen. Maar waarmee ons bezig te houden?

Toen ik daarover nadacht, herinnerde ik mij, hoe Vitalis mij eens verteld had, dat in den oorlog, als een regiment vermoeid was door een langen marsch, men muziek maakte, en bij die vroolijke, meesleepende melodieën vergaten de soldaten hun vermoeidheid. Als ik nu ook eens een vroolijk deuntje speelde, zouden wij misschien ook onzen honger vergeten In ieder geval, als ik muziek maakte en de honden liet dansen met Joli-Coeur, zou de tijd spoediger voorbijgaan. Ik nam mijn harp, die tegen een boom stond en, met mijn rug naar het kanaal gekeerd, begon ik, na mijn personeel in orde te hebben gebracht, een wals te spelen.

Eerst schenen mijn acteurs niet zeer geneigd om te dansen. Het was duidelijk, dat een stuk brood meer in hun smaak zou zijn gevallen, maar langzamerhand kwam er meer leven bij hen; de muziek had haar gewone uitwerking; wij vergaten het stuk brood, dat wij niet hadden en ik dacht aan niets anders dan aan de muziek en zij aan het dansen. Eensklaps hoorde ik achter mij een heldere kinderstem, die „bravo!" riep. Ik keerde mij ijlings om.

Een scheepje voer door het kanaal, met den steven gericht naar den oever, waar ik stond; de twee paarden, die het voorttrokken, liepen op den anderen oever. Het was een vreemdsoortig schip, zooals ik er nog nooit een gezien had, het was veel korter dan de pramen, welke gewoonlijk gebezigd worden voor de vaart op het kanaal en op het dek, dat slechts even boven het water uitstak, was een soort van glazen huisje gebouwd. Op de voorplecht was een veranda aangebracht, die met slingerplanten was bedekt, waarvan de stengels, die hier en daar zich aan het glazen dak hadden gehecht, als beken van groen nedervielen Onder die veranda zag ik twee personen: een nog jeugdige

Sluiten