Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.

De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar ik met op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce klauterden tegen zijn beenen op.

Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:

— Buondi, provero caro! l)

Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart zich spoedig ontsluit.

Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen; de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.

— Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal wel overgaan.

Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg:

— Hoe hebt ge die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft?

Toen vertelde ik hem mijn ontmoeting met De Zwaan en hoe ik sedert dien tijd bij Mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien «n gedaan hadden Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen, dat ik hem verlaten wilde om bij mevrouw en Arthur te blijven.

Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had, vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien in het geheel 'niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin als van het voorstel* dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.

— En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.

— Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.

— Dat is onnoodig, zeg mij het nummer maar; dan kunt gij hier met JoliCoeur en de honden op mij wachten.

Als mijn meester iets zei, dan was ik niet gewoon hem tegen te spreken; toch waagde ik een opmerking en verzocht hem opnieuw, hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de gang, met de honden bij mij op een bank wachten. Zij wilden hem ook volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik; Vitalis wist gehoorzaamd te worden.

Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud, dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.

— Ga van deze dame afscheid nemen, zei hij; ik wacht u hier, binnen tien minuten zijn wij vertrokken.

Ik was buiten mezelf van schrik..

— Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij blijft daar staan, alsof ge stom zijt; haast u!

Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen mij gezegd. Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te gehoorzamen Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem:

— Gij hebt dus gezegd. ... — Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten afstand te doen; ga en kom spoedig terug.

1) Goeden dag, arme vriend.

Sluiten