Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheidene 'voorstellingen zouden kunnen geven, als het slechte weer ons dwong, om daar geruimen tijd te vertoeven.

— Ga spoedig naar bed, zei hij, toen wij in onze herberg waren aangekomen; • morgenochtend gaan wij reeds vroeg op reis; maar ik vrees, dat de sneeuw ons zal overvallen.

Hijzelf begaf zich echter niet zoo spoedig ter ruste, maar hij bleef bij de kachel zitten om eerst Joli-Coeur nog wat te verwarmen, die dien dag veel van de koude had geleden en aanhoudend gesteund en gekermd had ondanks alle voorzorgen om hem in de noodige dekens te wikkelen.

Den anderen morgen stond ik bij het aanbreken van den dag op, zooals hij mij bevolen had; het was nog donker en aan den zwarten hemel flikkerde geen enkele ster; het was alsof een groot, zwart deksel op de aarde was neergedaald en deze zou verpletteren.

Als men de deur opende, joeg een scherpe wind door den schoorsteen, die de sintels aanblies, welke men den vorigen avond onder de asch had ingerekend.

— Als ik in uw plaats was, sprak de waardin tot mijn meester, dan zou ik niet vertrekken; het begint zoo straks te sneeuwen.

— Ik heb haast, antwoordde Vitalis en ik hoop Troyes te bereiken, vóór dat het begint te sneeuwen.

— Dertig mijlen legt men niet gemakkelijk in een paar uur af. Toch begaven wij ons op reis.

Vitalis stopte Joli-Coeur onder zijn jas, om hem wat van zijn eigen warmte te geven, en de honden, welke blij waren met dit droge weder, liepen voor ons uit. Mijn meester had te Dijon een schapenvacht voor mij gekocht, waarvan ik de wol naar binnen gekeerd had en waarmede ik mijn gelaat bedekte, zoodat de wind, die ons in het gezicht blies, alleen mijn lichaam trof.

Het was niet prettig den mond te moeten openen; wij liepen dus zwijgend naast elkander voort en stapten zoo snel mogelijk door, zoowel om spoediger ons doel te bereiken, als om ons te verwarmen.

Hoewel het uur reeds lang was aangebroken, waarop de zon opging, werd het toch mets lichter om ons heen.

Einde