Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voeten zakten hoe langer hop dieper in de sneeuwlaag, die weldra tot onze knieën reikte, terwijl bovendien de sneeuwvracht, die wij op onze hoeden en kleeren droegen, hoe langer hoe zwaarder werd.

Op eens zag ik Vitalis de hand naar de linkerzijde uitstrekken, als om mijn aandacht in die richting te vestigen. Ik keek en het scheen mij toe, dat ik op de open vlakte den onbest em den vorm van een hutje zag, uit boomstammen samengesteld. Ik vroeg geen uitleg, want ik begreep, dat mijn meester mij niet op dat hutje opmerkzaam maakte, om het effect te bewonderen, dat het in dit landschap teweegbracht. Het kwam er maar op aan den weg te vinden, die erheen leidde. Dat was moeilijk, want de sneeuw lag al hoog genoeg om elk spoor van een weg of een pad te doen verdwijnen. Intusschen aan het uiteinde van het open vak, op de plaats, waar het hooge kreupelhout weer aanving, scheen het mij, dat de sloot langs den grooten weg eindigde. Daar begon zonder twijfel de weg, die naar de hut leidde.

Die onderstelling was juist; de sneeuw bezweek niet onder onze voeten, toen wij in de gracht afdaalden en weldra waren wij bij de houten loods. Deze bestond uit takkenbossen en boomstammen, waarboven takken in den vorm van een dak waren gelegd. Dat dak was dicht genoeg, zoodat de sneeuw er niet had kunnen doordringen. Deze schuilplaats was zoo goed als een huis.

De honden schenen nog meer haast te hebben, of vlugger te zijn dan wij, want zij waren dadelijk in de hut en zij rolden zicb over den drogen grond en iri het stof, terwijl zij luid en blijde keften.

Onze blijdschap was niet minder dan de hunne, maar wij legden ze op een andere wijze aan den dag dan door ons in het stof te wentelen, al was dit misschien ook zoo kwaad niet geweest om ons te drogen.

— Ik dacht wel, zei Vitalis, dat bij dit pas gekapte hout ergens een houthakkershut moest zijn. Nu kan de sneeuw vallen, wat mij betreft.

— Ja, laat ze maar vallen, zei ik op uitdagenden toon.

En ik ging naar de deur, om de sneeuw van mijn huis en mijn hoed te schudden, opdat ons vertrek niet natter werd dan noodig was.

Dat vertrek was zeer eenvoudig, zoowel wat zijn inrichting betrof als zijn meubels. Deze bestonden slechts uit een bank van klei en eenige steenen, die tot zitplaatsen konden dienen. Maar wat in de gegeven omstandigheden voor ons nog van het meeste belang was, waren de vijf of zes gebakken steenen, die in een hoek lagen gerangschikt en een haard vormden.

Vuur! "Wij konden dus vuur maken, 't Is waar, dat een haard alleen niet voldoende is om vuur te maken en dat men ook hout moet hebben om te branden. In een huis als wij nu betrokken hadden, was hout echter niet moeilijk te vinden. Wij konden het van het dak en van de wanden nemen; wij behoefden namelijk slechts de takken uit te trekken, zoo we maar oppasten, dat wij de muren niet ineen deden storten. Dit was spoedig gedaan en weldra vlamde een flikkerend vuur lustig op in onzen haard.

Een vuurtje! Een heerlijk vuurtje!

Wel is waar maakte het veel rook; en daar er geen schoorsteen was, ver* spreidde deze zich door de hut; maar wat bekommerden wij ons daarover; wij hadden vuur en het was ons om de warmte te doen.

Terwijl ik op mijn beide handen leunende het vuur aanblies, hadden de honden zich om den haard geschaard en ernstig zaten ze daar nu op hun staart, met uitgestrekten hals, zóó dat zij op hun natten, verstijfden buik de vlammen lieten spelen.

Weldra verliet ook Joli-Coeur de vacht van zijn meester en heel voorzichtig zijn neus naar buiten stekend, keek hij eens om zich heen om te zien, waar hij zich bevond. Het onderzoek stelde hem gerust en hij sprong vlug op den grond, nam de beste plaats bij den haard in, en stak zijn kleine sidderende pootjes naar de vlammen uit. Wij waren thans zeker, dat wij niet van koude zouden omkomen; maar hoe wij aan eten zouden komen, wisten wij niet.

In die gastvrije hut was geen broodkast en stonden geen pannen op het vuur. Gelukkig was mijn meester een man van ervaring, die steeds zijn voorzorgen nam. Voordat wij dien morgen op weg waren gegaan, had hij reeds voor levensbehoeften gezorgd: een half brood en een stuk kaas. Veel was het niet, maar het was waarlijk het oogenblik niet om veel te eischen en aarimerkingen te maken op hetgeen wij kregen: toen dan ook het halve brood te voorschijn kwam, voelden wij allen een gewaarwording van innige tevredenheid.

Sluiten