Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik tegen den post der deur geleund stond, opgetogen over dit schouwspel; hoorde ik mijn meester mij roepen.

— Heb gij lust om weer op weg te gaan?

— Ik weet het met, het is mij alles onverschillig; ik zal alles doen, wat u verlangt. — Welnu, dan komt het mij voor, dat we maar hier moesten blijven; wij zijn hier ten minste beschut en wij hebben vuur.

Ek voegde er in mijn gedachten bij, dat wij niets te eten hadden, maar ik hield die opmerking voor me. V

— Ik denk, dat het spoedig weer zal gaan sneeuwen, ging Vitalis voort, Wij moeten ons niet op weg begeven, zonder dat wij weten op welken afstand we znn van bewoonde huizen; de nacht zou niet heel aangenaam wezen te midden van die sneeuw; 't is beter dat wij hem hier doorbrengen; hier hebben wij ten minste droge voeten

Als ik de vraag, hoe en wat wij eten zouden er buiten liet, had dit besluit niets onaangenaams voor me; maar al gingen wij dadelijk weer op weg, dan was het nog volstrekt zoo zeker niet, dat wij vóór den avond een herberg zouden bereiken, en daar ons maal zouden kunnen vinden; wel wachtte ons daarentegen op de wegen een dikke laag sneeuw, die nog niet was platgetreden en waardoor wij slechts met moeite zouden voortkomen Men moest dus maar niet aan eten denken; dat was alles wat ons overschoot.

Wat ik verwacht had gebeurde; voor ons middagmaal kregen wij niets anders dan het overschot van de mik, dat Vitalis in zessen verdeelde.

Veel was dit niet en spoedig was het op, niettegenstaande wij de stukjes zoo klein mogelijk maakten, om ze langer te doen duren. Na afloop van ons kort en zeer sober maal, dacht ik, dat de honden de vertooning van dien morgen zouden herhalen, want het was duidelijk, dat zij nog geduchten honger moesten hebben. Niets ervan had evenwel plaats, en ik zag alweer, welke verstandige dieren zij waren. Toen Vitalis het mes in zijn broekzak had gestoken, wat te kennen gaf, dat ons middagmaal was afgeloopen stond Capi op en na een teeken te hebben gegeven aan zijn twee makkers, besnuffelde hij den zak, waarin gewoonlijk onze voorraad geborgen was. Tevens legde hij even zijn poot op den zak om dien te betasten. Na dit tweeledig onderzoek was hij overtuigd, dat er niets meer te eten was. Toen zette hij zich weder op zijn oude plaats bij het vuur en na een nieuwen wenk met den kop aan Dolce en Zerbino, ging hij languit liggen, en slaakte een zucht van berusting.

Er is niets meer; dus behoeven we ook niet te vragen. Dit gaf hij zoo duidelijk te kennen, alsof hij het met even zoovele woorden zei. Zijn makkers begrepen die taal en legden zich toen ook bij het vuur neer, eveneens een zucht slakende, maar die van hen was niet zoo onderworpen, want aan goeden eetlust paarde Zerbino een bijzondere neiging voor hetgeen lekker was, en het gemis was voor hem dus erger dan voor de anderen. . f

Het sneeuwde opnieuw geruimen tijd en de sneeuw viel weer hardnekkig in dichte vlokken neder. Van uur tot uur zag men de laag, die zij op den grond vormde, al hooger en hooger tegen de boomstammen rijzen, waarvan alleen de takken nog uitstaken boven de witte zee, die ze weldra zou verzwelgen. Maar na het eten kon men al minder en minder duidelijk zien, wat er om de hut plaats had, want deze sombere dag was nog vroeger dan andere winterdagen geëindigd.

De duisternis bracht evenwel geen verandering teweeg; de sneeuw Weef onafgebroken uit den donkeren hemel op de witte aarde vallen

Daar wij hier moesten overnachten, was het maar het beste zoo spoedig mogelijk in te slapen Ik volgde dus het voorbeeld van de honden, wikkelde mij in mijn schapevacht, die ik voor het vuur had gehangen en die nu nagenoeg droog was, en strekte mij bij het vuur uit, met het hoofd op een platten steen, die mij tot oorkussen diende. Ö .. , i

— Slaap maar, zei Vitalis, ik zal u wakker maken, als ik op mijn beurt ook slapen wuS want ofschoon wij in deze hut niets te vreezen hebben van dieren of menschen, moeten wij toch een van beiden wakker blijven om het vuur te onderhouden Wij moeten onze voorzorgsmaatregelen nemen tegen de kou, die vrij vinnig zal wezen, als de sneeuw opgehouden heeft.

Ik het mij dit geen tweemaal zeggen en sliep in. Toen mijn meester mij wakker maakte, moest het in 't holle van den nacht wezen; tenminste du verbeeldde ik mij. De sneeuw had opgehouden; ons vuur brandde nog altijd.

Sluiten