Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maal herhaald klagend geluid, waarin ik de stem van Dolce herkende. Dat geluid kwam van achter onze hut en op vrij korten afstand.

Ik wilde naar buiten gaan; mijn meester hield mij terug, door de hand op mijn schouder te leggen. — Werp eerst wat hout op het vuur, beval hij.

En terwijl ik gehoorzaamde nam hij een smeulenden tak, waarop hij blies om hem te doen gloeien. In plaats van den tak weer op het vudr te werpen, toen die vlam had gevat, hield hij hem in de hand.

— Wij zullen eens gaan zien, zei hij; blijf achter me. Vooruit Capi!

Op het oogenblik, dat wij de, deur wilden uitgaan, hoorden wij een luid gebrul en Capi. drong zich verschrikt tusschen onze beenen terug.

— Het zijn wolven. Waar zijn Zerbino en Dolce?

Op die vraag kon ik geen aniwoord geven. Zeker waren de twee honden weggeloopen, terwijl ik sliep. Zerbino had aan den lust toegegeven, dïen ik had getracht in hem te bedwingen, en Dolce was zijn makker gevolgd.

Hadden de wolven hen meegesleurd? De toon, waarop mijn meester 'gevraagd had, waar zij waren, scheen die vrees te verraden.

— Neem ook een brandenden tak, zei hij, en laten we hen helpen.

In mijn dorp had ik allerlei akelige verhalen omtrent wolven gehoord; toch aarzelde ik niet; ik wapende mij met een tak en volgde mijn meester.

Maar toen wij op de open vlakte kwamen, zagen wij honden noch wolven.

Wij bespeurden in de sneeuw slechts de afdrukken der pooten van de twee honden. Wij volgden die; zij liepen om de hut, maar een 'weinig verder kwamen wij bij een plek, waar wij ondanks de duisternis, konden zien, dat zich dieren daarin hadden gewenteld.

— Zoek! zoek! Capi! sprak mijn meester, en tegelijk floot hij om Zerbino e» Dolce te roepen.

Maar geen geblaf antwoordde, geen enkel geluid verstoorde de doodsche stilte, van het bosch en Capi, inplaats van te gaan zoeken, drong rich tegen onze beenen aan, de duidelijkste bewijzen gevende van vrees en angst, terwijl hij anders gewoonlijk zoo gehoorzaam en dapper was. De afstraling van de sneeuw gaf niet genoeg licht om ons in staat te stellen het spoor te volgen, en op korten afstand verloor zich onze blik in de dichte duisternis.

Opnieuw floot Vitalis en riep met krachtige stem Zerbino en Dolce.

Wij luisterden; alles bleef stil; mijn hart kromp ineen.

Arme Zerbino! arme Dolce! Vitalis bevestigde mijn vrees.

— De wolven hebben hen meegesleurd, zei hij. Waarom hebt gij hen ook naar buiten laten gaan?

Ja, waarom? Daarop was het me onmogelijk een antwoord te geven.

— Wij moeten ze gaan zoeken, zei ik en liep vooruit, maar Vitalis hield mij terug.

— Waar woudt gij ze gaan zoeken? —.Ik weet het niet; overaL

— Hoe zouden we onzen weg vinden in die duisternis en door de sneeuw? Dat was inderdaad niet gemakkelijk; de sneeuw reikte tot onze knieën en

met onze smeulende takken konden wij geen licht brengen in die duisternis.

— Daar zij niet geantwoord hebben op mijn roepen, moeten zij ver weg zijn, sprak hij. Bovendien moeten wij ons niet blootstellen aan het gevaar, dat de wolven ook ons aanvallen Wij hebben niets om ons te verdedigen.

Het was vreeselijk om de twee arme dieren, die twee makkers, die twee vrienden, prijs te geven; voor mij vooral, die aansprakelijk was voor hun leven; als ik niet geslapen had, zouden zij niet weggeloopen zijn.

Mijn meester was weer naar de hut gegaan en ik was hem gevolgd, telkens nog omziende en luisterend, maar ik zag niets dan de sneeuw en ik hoorde niets dan het kraken van de vorst.

In de hut wachtte ons een nieuwe verrassing; terwijl wij afwezig waren, hadden de takken, die ik op het vuur had geworpen, vlam gevat en verlichten de donkerste hoeken van de loods. Ik zag Joli-Coeur niet.

Zijn dek lag voor het vuur, maar het was plat; de aap lag er niet onder.

Ik riep hem; Vitalis riep hem ook; hij kwam niet te voorschijn.

Wat was er van hem geworden?

Vitalis zei me, dat hij het diér bij zijn ontwaken naast hem had gevoeld; het moest dus verdwenen zijn, terwijl wij buiten waren. Had het ons willen volgen?

Wij namen eenige brandende takken en gingen naar buiten, ons over den grond bukkende, om in de sneeuw de sporen van Joli-Coeur te ontdekken.

Sluiten