Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik gehoorzaamde. Er lag een donzen dekbed op het ledikant; Vitalis stopte mij tot mijn neus daaronder.

— Doe je best zoo warm mogelijk te worden, zei bij; hoe warmer hoe beter. Het kwam mij voor, dat Joli-Coeur veel meer behoefte aan warmte had dan

ik, want ik was volstrekt niet koud. Terwijl ik onbeweeglijk onder het dekbed lag en trachtte warm te worden, wentelde Vitalis, tot groote verbazing van het dienstmeisje, Joli-Coeur om-en-om, alsof hij hem wilde roosteren.

— Heb je 't warm? vroeg hij mij na eenige oogenblikken.

— Ik stik bijna. — Dat is juist, wat ik wensen.

Toen kwam hij bij mij, legde Joli-Coeur in mijn bed en beval nrij, hem zoo dicht mogelijk tegen mijn lijf te houden.

Het arme dier, dat anders zoo weerbarstig was, wanneer men iets met hem deed, dat niet naar zijn zin was, onderwierp zich nu aan alles.

Hij drukte zich tegen mij aan zonder een enkele poging om zich te verzetten.

Hij was niet koud meer; zijn lichaam brandde. Mijn meester was naar de keuken gegaan en kwam weldra met een groote kom warmen wijn met suiker terug. Hij wilde Joli-Coeur eenige lepels van dien drank ingeven, maar het dier kon zijn bek niet openen Met zijn schitterende oogen zag hij ons treurig aan, als smeekte hij ons, dat wij hem met langer zouden plagen.

Tegelijk stak hij een van zijn pooten uit bed en strekte die naar ons uit.

Ik begreep de beweging niet, die het dier telkens herhaalde, maar Vitahs gaf mij er de verklaring van. Voor ik deel uitmaakte van het gezelschap, had Joli-Coeur een bloedspuwing gehad en men had hem adergelaten. Thans voelde hij zich wederom ziek en stak ons een arm toe, om hem nogmaals ader te laten en te genezen, zoo als de eerste maal. Was dit niet aandoenlijk?

Vitahs werd er dan ook niet alleen door aangedaan, maar het verontrustte hem ook.

Blijkbaar was de arme Joh-Coeur ziek en hij moest zich dan ook wel ziek gevoelen, dat hij den zoeten wijn weigerde, waarvan hij anders zooveel hield.

— Drink den wijn uit, zei Vitahs, en blijf in bed; ik ga een dokter halen.

Ik moet bekennen, dat ik veel van warmen zoeten wijn hield en dat ik een geduchten honger had. Ik het het mij dan ook geen tweemaal zeggen, en na de kom te hebben uitgedronken, kroop ik weer onder het dekbed, waaronder ik nu, ook tengevolge van den wijn, bijna stikte. Mijn meester bleef niet lang uit, weldra kwam bij terug met een heer met een gouden bril; dat was de dokter. Daar hij vreesde, dat zulk een gewichtig man niet zou komen, als het maar voor een aap was, had Vitalis hem niet gezegd voor welken zieke hij hem kwam roepen; toen hij mij dan ook op het bed zag liggen zoo rood als een pioenroos, kwam de dokter bij me en terwijl hij zijn hand op mijn voorhoofd legde, zei hij: congestie, waarbij hij het hoofd schudde op een wijze, die allesbehalve geruststellend was.

Het /was tijd, dot ik hem uit de dwaling hielp, anders zou hij op mij misschien ook een aderlating hebben toegepast. — Ik ben,.niet ziek, zei ik.

— Niet ziek? herhaalde de dokter. De knaap ijlt.

Zonder te antwoorden sloeg ik het dek een weinig op en wees op Joli-Coeur, die zijn poot om mijn hals had geslagen. — Dat is de zfieke, zei ik De dokter deed twee stappen achteruit en wendde zich tot Vitalis.

— Een aap, riep hij uit. Is het voor een aap, dat gij mij met zulk een weer uit mijn huis hebt gehaald?

Ik dacht, dat hij verontwaardigd zou wegloopen.

Maar mijn meester was een slim man, die nïet licht van zijn stuk was te brengen. Zeer beleefd en met de voornaamheid hem eigen, wist hij den dokter te bewegen om te blijven. Eerst bracht hij hem op de hoogte van den toestand; hoe wij overvallen waren door de sneeuw en Joli-Coeur, uit vrees voor de wolven in een boom was geklauterd en daar kou had gevat.

I— 't Is waar, de zieke was maar een aap, maar welk een geniale aap! Bovendien was hij een makker, een vriend van ons. Hoe zou men zulk een merk* waardig dier, dat zoo voortreffelijk komedie speelde, aan de behandeling van een eenvoudig veearts toevertrouwen. Iedereen wist, dat de dorpsveeartsen groote domooren waren; terwijl iedereen ook wist, dat alle geneesheeren, ofschoon in verschillende mate, wetenschappelijke mannen zijn, zoodat men zelfs in het kleinste dorp zeker kon wezen, dat men de hulp van een edelmoedig en bekwaam man bekomt, wanneer men maar bij een dokter aanschelt.

Sluiten