Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid, terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken, hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk oog en den verstandigen trek, die op zijn gelaat lag.

— Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uur thuis zal zijn? vroeg Vitalis.

— O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft ons het eten.

— Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat Vitalis over twee uur bij hem terugkomt. — Over twee uren, goed signor.

Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zei:

— Blijft gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug. Ik kon mijn angst niet verbergen.

— Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.

Liever was ik, ondanks mijn vermoeidheid, Vitahs gevolgd, maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen en ik bleef dus staan.;

Toen wij zijn zware voetstappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:

— Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het Italiaansch.

Gedurende mijn omgang met Vitahs had ik genoeg Italiaansch geleerd om bijna aUes in die taal te verstaan, maar zelf was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken. — Neen, antwoordde ik in het Fransch.

— O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat, dat is jammer, ik had gehoopt, dat gij ook uit het land waart

— Uit welk land?

— Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben medegebracht.

— Ik ben een Franschman. — O, des te beter.

— Houdt gij dan meer van de Franschen dan van de Itahanen?

— Neen, ik zeg het ook niet voor mezelf, maar voor u, want als gij een Italiaan waart, dan zoudt gij waarschijnlijk in dienst van signor Garofoli komen; en men zegt niet „des te beter" tot hen, die bij dezen in dienst treden.

Deze woorden waren nu juist niet zeer geruststellend voor mij.

— Is hij kwaad?

Het kind gaf op deze vraag geen antwoord, maar de blik, waarmee hij mij aanzag, was welsprekend genoeg. Daarop, alsof hij dit onderwerp niet langer wilde voortzetten, keerde hij mij den rug toe, en begaf zich naar den schoorsteen aan het einde van de kamer. Een vuur van takkenbossen brandde daarin en op dat vuur stond een groote ketel.

Ik ging voor het vuur staan, om mij te verwarmen en ontdekte toen, dat deze ketel iets bijzonders had, wat ik in het begin niet had opgemerkt Het deksel met een smal tuitje, waaruit de stoom ontsnapte, was aan den pot bevestigd, aan de eene zijde met een scharnier en aan de andere zijde met een hengsel. Ik begreep, dat ik'geen onbescheiden vragen omtrent Garofoli doen mocht, maar toch wel wat den pot betrof.

— Waarom is deze ketel op slot?

— Omdat ik er niet uit snoepen zou. Ik moet de soep wel gaarmaken, maar mijn meester vertrouwt mij niet

Ik kon een glimlach niet onderdrukken

— Gij lacht erom, vervolgde hij op verdrietigen toon, want gij denkt zeker, dat ik snoepziek ben. In mijn plaats zoudt gij het misschien ook zijn. Ik ben ook eigenlijk geen snoeper, maar ik ben uitgehongerd en de reuk van de soep, die uit het tuitje ontsnapt, doet mijn honger nog grooter worden

— Signor Garofoh laat u dus honger lijden?

— Wanneer gij in zijn dienst komt, dan zult gij wel ondervinden, dat men van honger niet sterft, maar wel ontzettend veel erdpor lijden kan. En vooral ik, want voor mij is het een straf. — Een straf, honger lijden?

— Ja; en ik durf u dat gerust vertellen, want als Garofoli soms uw meester wordt, dan zou mijn voorbeeld u van nut kunnen zijn. Signor Garofoh is mijn oom en hij heeft mij uit liefdadigheid bij zich genomen. Gij moet weten, dat mijn moeder weduwe en dus, zooals gij wel begrijpen kunt, niet rijk is. Toen Garofoh het vorig jaar onze streek bezocht, om kinderen op te halen, stelde hij mijn moeder voor, mij met zich te nemen. Het kostte haar heel wat om mij mee te geven; maar gij begrijpt, als iets noodzakelijk is! En het was noodig, want wij waren met ons zessen thuis, waarvan ik de oudste was. Liever had Qarofoli mijn broeder medegenomen, die op mij volgt, want Leonardo is mooi,

Sluiten