Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden eo hem mede te deelen, wat Vitalis, hem opgedragen had.

— O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij-?

— Dat weet ik niet, hernam Mattia.

— Ik spreek niet tot jou, maar wel tot dien knaap.

— Mijn meester komt zoo straks, zei ik, zonder hem de waarheid te durvea vertellen; hij zal u zelf wel zeggen, wat hij wenscht.

— Nu, dat ventje weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt geen Italiaan? — Neen, ik ben een Franschman.

Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee knapen hem genaderd en eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord ontvangen op deze vraag, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt.

De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied en plechtigheid en hieruit kon men opmaken, hoe gevreesd Garofoli was, want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel ijver bedienden.

Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp, die gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar hem toe.

— Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel.

De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam een andere lucifer, die hij weer aanstak en, na ze even te hebben laten branden, zijn meester aanbood. Maar deze nam ze niet aan:

— Jij niet, domkop, zei hij, terwijl hij hem van zich afstiet.

Daarop wendde hij zich met een glimlach, hetgeen zeker een bewijs van zijn gunst was, tot een anderen knaap.

— Riccardo, beste jongen, geef mij eens een lucifer. En de beste jongen voldeed fluks aan zijn verlangen.

— En nu, begon Garofoli, toen hij alles had, wat hij behoefde en zijn pijp brandde, nu zuilen wfe onze rekeningen eens opmaken. Mattia, geef het boek.

Het was inderdaad een groote gunst, wanneer Garofoli zich verwaardigde te spreken, want zijn leerlingen toonden zich zoo bezorgd om aan zijn minst* wenschen te voldoen, dat zij ze reeds gisten, vóór hij ze te kennen gegeven had.

Nauwelijks had hij het gevraagd, of Mattia bracht hem een vuil boek.

Garofoli wenkte en het kind, dat hem een verkeerde lucifer gegeven had, trad naderbij.

— Tk moet nog een stuiver van gisteren van je hebben; je heb beloofd, dat je mij die vandaag zoudt geven; hoeveel breng je er mij thans?

De knaap aarzelde, eer hij antwoord gaf; een donkere blos overtoog zijn gelaat. — Ik kom een stuiver te kort.

— Zoo, een stuiver, en gij durft mij dat zoo kalm mededeelen?

— Het is niet de stuiver van gisteren; het is die, welke ik vandaag moet geve».

— Dan zijn het twee stuivers? Ik heb nooit zoo'n jongen gezien.

— Ik kan het niet helpen.

Geen onzin; gij kent onze wetten; maak uw kiel los; twee slagen voor gisteren en twee voor vandaag; en bovendien krijgt gij voor uw schandelijke onbeschaamdheid vanmiddag geen aardappelen. Riccardo, beste jongen, gij hebt door zoo goed op te passen, wel een belooning verdiend; haal de riem.

Riccardo was de knaap, die de goede lucifer gegeven had; hij nam van den muur een karwats met een kort handvatsel, die uit twee leeren riemen met dikke knoopen bestond. In dien tusschentijd knoopte de schuldige zijn kiel los en liet zijn hemd tot aan zijn middel toe zakken.

— Wacht even, zei Garofoli met een boozen lach, gij zijt misschien de eenige niet en het is altijd prettig om gezelschap te hebben; bovendien is Riccardo er dan met één keer af.

De kinderen stonden onbeweeglijk voor hun meester; deze wreede spotternij perste hun allen een gedwongen lachen af.

— Ik ben er zeker van, vervolgde Garofoli, dat hij, die het hardst lacht, de meeste stuivers te kort komt. Wie heeft er hard gelachen?

Allen wezen naar den knaap, die 't eerst met zijn blok hout thuis gekomen was. Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel kom jij te kort? vroeg Garofoh.

— Ik kan hét niet helpen.

Sluiten