Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot dien knaap spreek, maar tot u; ja, het is een schande, een laagheid om kinderen, die zich niet verdedigen kunnen, zoo te mishandelen.

— Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli plotseling van toon veranderende.

— Waar de politie zich mede bemoeien moest.

— De politie! riep Garofoh, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met de politie?

— Ik, ja, hernam Vitalis, zonder zich door den boozen padrone van zijn stuk te laten brengen.

— Luister Vitahs, begon deze op bedaarden, zelfs eenigszins spottenden toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen zult, want ik zou van mijn kant dat evengoed kunnen doen. En wie zou er dan het ergst aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er zijn andere menschen, die er belang in stellen; als ik hun eens vertelde, wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen?

Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande! Ik stond versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing, door deze zonderlinge woorden opgewekt, te bekomen, had hij mij bij de hand genomen.

— Volg mij. Hij trok mij mee naar de deur.

— Kom, zei Garofoli, lachende, laten we weer goede vrienden zijn, oude; gij wildet mij spreken. — Ik heb u niets meer te zeggen.

En zonder een woord verder te uiten, zonder zich zelfs om te keeren, ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had, zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen.

DE STEENGROEVE VAN GENTILLY. XVIII.

Zoolang wij op straat en onder de menschen waren, liep Vitahs, zonder een woord te spreken, voort, maar toen wij een stil en afgelegen gedeelte bereikt hadden, ging hij op een paal zitten, en wreef met de hand over het voorhoofd, hetgeen hij altijd deed, wanneer hij in verlegenheid was.

— Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven, zei hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij nu op straat, zonder een cent op zak of een stuk brood in de maag. Hebt gij honger?

— Ik heb na het korstje brood, dat gij mij vanmorgen gegeven hebt, niets meer gegeten.

— Arme jongen! en waarschijnlijk zult gij van avond zonder eten naar bed moeten gaan, en als ik dan nog maar wist, waar we een nachtverblijf zullen vinden.

— Gij waart dus van plan, om bij Garofoli den nacht door te brengen?

— Ik meende u bij hem te laten, en daar hij mij een gulden of tien gegeven zou hebben, wanneer ik u den geheelen winter bij hem liet, zou ik voor het oogenblik zelf ook geholpen zijn. Maar toen ik zag, hoe hij de kinderen behandelde, toen kon ik mezelf niet langer meester blijven. Gij hebt immers geen lust om bij hem te blijven? — Gij zijt zoo goed voor me.

— Misschien is het jonge hart nog niet geheel en al bij den ouden zwerver uitgedoofd. Ongelukkig echter heeft de grijsaard goed gerekend en had de jonkman het mis. Waar zullen we thans heengaan?

Het was reeds laat en de koude, die overdag minder streng was geweest, was thans aanmerkelijk toegenomen; de wind was noord geworden en de nacht zou waarschijnhjk zeer koud wezen. Vitalis bleef geruimen tijd op den paal zitten, terwijl Capi en ik onbeweeglijk voor hem bleven staan, totdat hij een beslissing genomen zou hebben. Eindelijk stond hij op.

— Waar gaan wij heen?

— Naar Gentilly en daar een steengroeve opzoeken, waarin ik vroeger ook wel geslapen heb. Zijt gij moe?

— Ik heb bij Garofoli zitten uitrusten.

— Ongelukkig heb ik dat niet kunnen doen en ik kan thans niét meer voort. Toeh moeten we verder; kom, vooruit, kinderen!

Sluiten