Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inspanning, die zijn krachten te boven ging; deze laatste tocht had hem bewezen, dat hij te zwak en te oud was om dergelijke vermoeienissen te doorstaau.

Had hij eenig bewustzijn van zijn toestand? Dat heb ik nooit te weten kunnen komen. Maar toen ik wat stroo over mij heen had gelegd en vlak naast hem was gekropen, toen voelde ik, dat hij zich over mij heenboog en mij een kus gaf. Dat was voor de tweede maal en, helaas! het was ook de laatste maak

Een geringe koude belet hen, die zich bibberend in bed leggen, te slapen; een groote koude, die men geruimen tijd heeft moeten doorstaan, brengt ons plotseling in een bedwelmenden, doffen toestand. Dit was bij ons het geval.

Nauwelijks lag ik naast Vitalis, of ik gevoelde, dat ik in zwijm viel en dat mijn oogen zich sloten. Ik deed nog een poging om ze te openen, maar daar dit met gelukte, kneep ik mezelf met alle kracht in mijn arm; mijn huid was echter gevoelloos, en hoe ik ook mijn best deed, het mocht mij niet gelukken, mezelf pijn te doen. Toch keerde ik eenigszins tot mijn bewustzijn terug. Vitalis, die met zijn rug tegen de deur leunde, haalde zwaar en moeilijk adem. In mijn armen, en vast tegen mijn borst gedrukt, lag Capi te slapen De wind gierde steeds over ons heen en bedekte ons met stroo. Op straat was niemand; een doodelijke stilte omringde ons. Deze stilte maakte mij bang; waarvoor was ik bang? Ik kon me daarvan geen rekenschap geven, maar een onbestemde vrees en een onbeschrijfelijk treurig gevoel deed mij de tranen in de oogen komen Het was mij, of ik daar zou sterven

En de gedachte aan den dood bracht mij Chavanon in herinnering. Arme t^vrouw Barberin! Zou ik dan sterven, zonder haar te hebben weergezien, zonder een blik op ons huis en onzen tuin? En ik weet niet door welk een zonderling spel mijner verbeelding, zag ik mij plotseling in dien tuin verplaatst; de zon stond hoog aan den hemel, de goudsbloemen openden haar knoppen, de meerlen zongen in het kreupelhout en over de heg had vrouw Barberin het linnen gehangen, dat zij in de beek gewasschen had.

Eensklaps dwaalde mijn geest van Chavanon naar De Zwaan: Arthur sliep in zijn bed; mevrouw Milligan was ontwaakt en toen zij den wind zoo hoorde loeien, vroeg zij zichzelf af, waar ik mij in deze hevige koude bevinden zou. Mijn oogen vielen toen weder dicht; mijn lichaam verstijfde en ik gevoelde duidelijk, dat een bedwelming zich van mij meester maakte.

LIZE. XIX.

Toen ik ontwaakte, lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur brandde in de kamer.

Ik keek eens rond. Ik kende de kamer niet. Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje van vijf of zes jaar was, dat mij met de grootste verbazing stond aan te staren; het waren zonderling sprekende oogen.

Zij verdrongen zich om mij heen.

— Vitalis? vroeg ik. — Hij vraagt naar zijn vader, zei een meisje, dat de oudste der kinderen scheen.

— Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester, waar is hij? Waar is Capi? Vitalis had men voor mijn vader gehouden, en men vreesde daarom zeker

mij van hem te spreken; maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn, was men van meening, dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men vertelde mij toen het volgende:

De deur, die in de heining was, waartegen wij ons hadden gelegd, behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman deze deur geopend om naar de markt te gaan, en had ons toen onder het stroo gevonden. Men was begonnen met ons te zeggen, dat wij moesten opstaan, om den wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen, had men ons bij den arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was, en dat ik er al even slecht aan toe was als hij."

Sluiten