Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dank zij echter Capi, die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een der kinderen gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand weer op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming.

In welk een staat van verdooving, hoe afgemat ik van lichaam en geest ook was, zoo had ik mijn denkvermogen toch voldoende herkregen om de woorden, die ik vernam, in hun geheelen omvang te begrijpen. Vitalis was dood!

De man met de grijze jas, of liever de tuinman, deed mij dit verhaal; terwijl hij sprak had het kleine meisje met haar verbaasde oogen, haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, welk een zware slag deze tijding voor mij wezen moest, [want zij trad naar haar vader toe, legde haar handje op zijn arm en uitte i-daarbij een zonderlingen klank, die niets van de menschelijke stem had, maar I veel op een stillen, medelijdenden zucht geleek.

* Bovendien was die beweging zoo welsprekend, dat zij er geen woord behoefI de bij te voegen; in haar blik en haar geheele houding ried ik onwillekeurig l'een gevoel van sympathie en voor de eerste maal, sedert ik van Arthur gescheijfden was, maakte zich een onbeschrijfelijk gevoel van mij meester, dat mij verItrouwen en genegenheid inboezemde, evenals in dien goeden tijd, toen vrouw [Barberin mi] zoo liefderijk aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was Idood. ik stond dus geheel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe, I alsof ik niet geheel alleen was en hij nog naast mij stond.

— Ja, heve Lize, sprak haar vader, terwijl hij zich over het kind heen boog; | gij hebt gelijk, het smart hem, maar ik moet hem toch de waarheid vertellen, I want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch. I Hij ging toen voort mij mede te deelen, dat hij de politie gewaarschuwd had f en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van Alexis, den ■oudsten zoon, gelegd had. I — En Capi, vroeg ik, toen hij zweeg. — Capi? I — Ja, de hond. — Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen. I — Hij is de baar gevolgd, zei een van de kinderen. I — Hebt gij hem gezien, Benjamin?

| — Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangenden kop en van tijd ( tot tiid zelfs sprong hij op de burrie, en liet een klagend geluid hooren, alsof

1; hij zacht huilde.

I Arme Capi! Hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis van | Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist aan te nemen êen daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen aan zijn verdriet

• geloofden

' De tuinman en zijn kinderen heten mij toen alleen en zonder zelf reeht te 1 weten, wat ik deed, of wat ik wilde doen, stond ik op. Mijn harp lag aan het j voeteinde van mijn bed; ik hing het koord om mijn hals, en begaf mij naar de I kamer, waar de tuinman en zijn kinderen zaten. Ik' moest wel vertrekken,

| maar waarheen, dat wist ik niet ik had er zelfs niet het minste begrip van,

$maar ik gevoelde, dat ik vertrekken moest eh ik vertrok.

Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek, een weinig £ stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik eenmaal op was, dacht lik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij aan een stoel vastgrijpen. Toch, na ij een oogenblik gerust te hebben, opende ik de deur en toen was ik weder bij i den tuinman en de kinderen.

Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen schoorsteen Kbrandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten. De reuk van de i| soep wekte weder mijn honger op; ik voelde, dat ik in onmacht raakte en wan1 kelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat te lezen.

— Zijt gij niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden toon.

Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij toestond, ij ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten. Maar aan warmte gevoelde ik ij thans geen behoefte, meer aan voedsel; het vuur bracht mij niet bij en de I; damp, die uit den soepketel steeg, het rinkelen der borden, het klokken van de fetong van hen, die aten, dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.

Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar Vitalis l had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet tot een bedelaar

Sluiten