Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet; misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug heb kunnen geven.

Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door baar vader Lize genoemd werd, had haar lepel neergelegd en staarde mij onafgebroken aan. Eensklaps stond zij van tafel op, nam haar bord, dat nog vol soep was en bracht dat bij mij.

Ik deed een poging om haar er voor te bedanken, daar ik zelfs de kracht tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs den tijd niet

— Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lize geeft, is goed gedaan en als ge trek hebt, is er nog wel weer een ander te krijgen.

Als ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk ledig. Toen ik mijn lepel neerlegde, uitte Lize, die voor mij was blijven staan, een onverstaanbaren kreet, hetgeen thans geen zucht, maar een uitroep van tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en reikte het haar vader over om het nogmaals te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het mij weder, met een glimlach zoo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks mijn honger, een oogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam. Evenals de eerste maal wate de soep in een oógwenk verdwenen; geen glimlach speelde er meer om de hppen van de kinderen, die mij omringden; allen lachten luidkeels.

— Wel, vriendje, sprak de tuinman, gij zijt een goede eter.

Ik kleurde tot achter de ooren; maar ik begreep terstond, dat ik beter deed hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te laten beschuldigen, e» ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert den vorigen dag niets gegeten had.

— En ontbeten? — Ook niet ontbeten.

— En uw meester? — Hij had evenmin iets gegeten

— Dus is hij eigenlijk van honger en koude omgekomen.

De soep had mij weder kraeht gegeven, ik stond op om té vertrekken.

— Waar wilt gij heen? vroeg.de vader. — Vertrekken.

— Waarheen wilt gij gaan? — Dat weet ik niet.

— Hebt gij vrienden in Parijs? — Neen.

Geen menschen, die uit dezelfde streek komen als gij? — Niemand.

— Waar woont gij?

— Wij hadden geen woning; wij zijn eerst gisteren hier gekomen.

— Wat wilt gij doen?

— Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen.

— Waar? — Te Parijs.

— Gij zoudt beter doen met naar uw land, naar uw bloedverwanten of ouders terug te keeren. — Ik heb geen ouders.

— Gij zeidet, dat die grijsaard uw vader niet was. — Ik heb geen vader.

— En uw moeder? — Ik heb geen moeder.

— Gij hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef?

— Neen, niemand.

— Waar komt gij vandaan?

— Mijn meester heeft mij gekocht van den man van mijn voedster. Gij hebt mij met goedheid behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk dankbaar; zoo gij wilt, zal ik Zondag terugkomen en voor u op de harp spelen, als u dat genoegen kan doen. ; ' !' |' 1" !*!'! f-\ f^!

Al pratende, was ik de deur genaderd, maar nauwelijks had ik eenige schreden gedaan., of Lize, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand en wees lachende op mijn harp. Ik kon mij niet bedriegen.

— Wilt gij, dat ik voor u speel?

Zij knikte toestemmend en klapte in de handen. — Kom, ja speel een deuntje.

Ik nam de harp en hoewel ik niet den minsten lust tot dansen gevoelde, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende. O, hoezeer wenschte ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge meisje genoegen te geven, wier oogen mij tot diep in de ziel roerden!

Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter,*alsof zij door de muziek werd medegesleept, begon zij in de keuken te dansen, terwijl haar twee broe-f!ers en zuster rustig bleven zitten; zij walste echter niet, maakte ook niet de

Sluiten