Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis en Benjamin waakten beurtelings bij mij.

Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger dan weder wat beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en de velden dij üe Waciere met een groen waas overtogen waren.

Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met ha-r wandelde ik langs de oevers van TTe Bièvres. Tegen den middag, als de zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op weg, door Cara gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste ik heb dien liefelriken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Dageliiks bezochten wij het dal, dat niet ver van onze woning verwijderd lag

Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar zonderling genoeg, wii hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander zagen, lazen wii in eikaars blik, hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal ook zweeg

Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den' tuin kunnen arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten het vergunden, terug te geven hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt, want boe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zij zijn niet te vergelijken met den bestendigen arbeid die veel goeden wil en ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte tenminste dat ik met lust het voorbeeld van hen, die mij omringden volgde'

Het was de tijd waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd; in onzen tuin stonden er van allerlei soprt en kleur en 's avonds, vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met den geur van deze bloemen vervuld

Dé taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid met miin krachten; zij bestond voornamelijk erin om 's morgens de ramen van de 'broeikas^ sen af te lichten, wanneer de vorst voorbij was, en ze 's avonds daarmede weder te bedekken, voor dat deze inviel; overdag moest ik zorgen, dat zii m»t rietmatten gedekt werden, wanneer de zon soms al te fel scheen Dat was moeilijk noch zwaar maar het duurde toch lang, daar ik wel een paar honderd ramen tweemaal daags verleggen moest en aanhoudend had te zorgen dat het te warm noch te koud werd. 6 ' 1

Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco, wiens oogen met een leeren kap waren geblinddoekt, vermoeid van het rondloopen, wilde stilstaan dan klapte zij met haar kleine zweep; een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en niemand liet tijd verloren gaan.

. In miin dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar ik had in het minst geen denkbeeld van de moeite en inspanning, welke de arbeid' van de tuinlieden m den omtrek van Parijs vereischt, die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan, en eerst laat in den avond zich ter ruste kunnen begeven, zich geheel aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten du kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte-' Ik was in een goede leer bij vader Acquin.

Ook werd ik niet altijd in de broeikassen gebruikt; toen ik weder geheel hersteld was, mocht ik ook bloemen planten en smaakte ik het genot, die te zien groeien; dat was mijn werk, mijn eigendom, mijn schepping en dat maakte mij trotsch; ik was dus tot iets geschikt en ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte, was, dat ik zelf gevoelde, dat ik het goed deed^ hetgeen de moeite dubbel loont; dit verzeker ik u.

Ondanks de vermoeienissen, die dit nieuwe leven voor mij medebracht' gewende ik mij toch spoedig aan al deze werkzaamheden, die zoo weinig geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen, zooals vroeger, steeds den grooten weg te volgen, moest ik mij thans tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot den avond hard werken terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde, met de gieters aan mijn arm en miin voeten m beslijkte schoenen; maar iedereen werkte zoo hard; de gieters van den vader waren nog zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet ons goed, als wij, wanneer ons iets moeite kost, zieii, dat ande-

Sluiten