Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zei reeds, dat vader Acquin hoofdzakelijk viooltjes teelde. Deze zijn zeer gemakkelijk te kweeken en de tuinlieden, die in den omtrek van Parijs wonen, slagen er in wonderen daarvan voort te brengen, getuige de groote planten, die van boven tot onder met bloemen beladen zijn en die zij in de maanden April en Mei naai- de markt brengen. De tuinman, die van viooltjes zijn werk maakt, moet er slechts op letten, dat hij de dubbele planten uitkiest, omdat de dames evenveel dubbele als enkele planten doen ontkiemen, is het van het grootste belang, dat men slechts de dubbele behoudt, want anders loopt men gevaar, dat men met de grootste zorg vijftig op de honderd planten kweekt, die men moet wegwerpen, wanneer zij beginnen te bloeien, dat wil zeggen, een jaar nadat zij gezaaid zijn. Wanneer zij, die viooltjes telen, die dubbele van de enkele moeten uitzoeken, dan wenden zij zich tot andere tuinlieden, die met het geheim bekend zijn en deze gaan naar de stad, om, evenals de dokters of deskundigen, een consult te houden. Vader Acquin behoorde onder de knapste bloemkweekerS van Parijs; wanneer de tijd was aangebroken, waarop de e viooltjes uitgezocht moesten worden, was hij den ganschen dag bezig. Dan was het voor ons, en vooral voor Martha, een slechte tijd; want als vrienden bij elkaar komen, wordt er in den regel menig glas gedronken en als hij dan na zulk een dag thuis kwam, had hij een hooge kleur, kon moeilijk uit zijn woorden komen en dikwijls beefden zijn handen. Martha ging niet naar bed, voordat hij thuis was, hoe laat in den nacht dit ook wezen mocht.

Als ik dan nog wakker was, of door het gedruisch, dat hij veroorzaakte, ontwaakte, hoorde ik van uit mijn kamer, wat zij spraken

— Waarom zijt ge niet naar bed gegaan? vroeg de vader.

— Omdat ik wilde zien, of gij soms nog iets noodig mocht hebben.

— Dat wil zooveel zeggen, als dat gij mij bespiedt.

t- Als ik niet meer wakker was, tot wien zoudt u dan spreken?

— Gij wilt zien, of ik nog goed kan loopen; zie nu maar,, of ik niet heel goed tot aan gindsche deu