Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd niet lang en als deze voorbij was, dan had vader Acquin ook geen reden om van huis te gaan. Hij was geen man, die uit luiheid of om zijn tijd zoek te brengen naar kroegen of herbergen liep. Toen de viooltjes uitgebloeid waren, gingen we onze zorg aan andere planten wijden, want een tuinman mag nooit een plekje in zijn tuin onbebouwd laten; zoodra de eene plant verkocht is, moet er een andere voor in de plaats komen.

De kunst van den tuinman, die zijn bloemen naar de markt brengt, bestaat hoofdzakelijk daarin, dat hij het juiste oogenblik weet te kiezen, dat de marktprijzen het hoogst staan, en vader Acquin vergiste zich daarin zelden.

De maand Augustus beloofde veel goeds, alle planten stonden zoo voordeelig mogelijk en hij zei dikwijls tot zijn zoons, terwijl hij vergenoegd de handen wreef: — Alles staat prachtig. En bij zichzelf rekende hij reeds uit, hoeveel de bloemen hem zouden opbrengen.

Er was hard gewerkt om het zoover te brengen; wij hadden geen uur vrijaf gehad en zelfs Zondags was ons geen rust gegund. Alles was thans ook in orde en, tot belooning van ons werken, zouden wij op een Zondag bij een vriend van Lize's vader gaan eten; Capi zelfs mocht van de partij zijn. Wij zouden tot een uur of drie werken en dan zou alles gereed zijn en mochten we het huis sluiten en ons op weg begeven; wij zouden echter niet laat terugkeeren, daar wij vroeg naar bed moesten gaan, om den anderen morgen bijtijds den arbeid te kunnen hervatten. Wat waren wij in onzen schik.

Alles bleef zoo afgesproken, en eenige minuten vóór vieren draaide Ac<iuin den sleutel om in de groote deur en zei met een verheugd gezicht:

— En nu, voorwaarts! — Vooruit, Capi!

Ik vatte Lize bij de hand en snelde met haar vooruit, terwijl Capi ons blaffende volgde en vroolijk tegen ons opsprong. Misschien meende hij, dat onze verre tochten weer een aanvang namen, wat hij stellig prettiger vond, dan thuis te blijven, waar hij zich verveelde, daar ik mij niet altijd met hem kon bezighouden — en dit vond hij toch nog altijd het prettigste van alles. Wij hadden allen onze beste kleeren aan; de menschen bleven zelfs stilstaan, om ons na te kijken. Ik weet niet, hoe ik er zelf uitzag, maar Lize met haar stroohoedje, haar blauwe jurkje en grijze linnen laarzen, was het mooiste kind, dat men zich denken kon; zij was levendig en bevallig; haar voorkomen, haar gebaren en bewegingen spraken van het genot, dat deze wandehng haar verschafte.

De t;jd ging voorbij, zonder dat ik eraan dacht; alles wat ik er mij van kan herinneren is, dat, toen ons middagmaal bijna was afgeloopen, wij donkere wolken aan den hemel zich zagen samenpakken; daar onze tafel in de open lucht onder een vlierboom gedekt was, konden wij het onweder zien opkomen

— Kinderen, zei Acquin, wij moeten ons haasten om thuis te komen. Bij deze woorden riepen wij van alle kanten: — Nu reeds!

Lize zei niets, maar zij gaf door gebaren duidelijk haar tegenzin te kennen.

— Als de wind opsteekt, ging Acquin voort, dan kan hij de ramen van de broeikassen afwerpen; dus vooruit!

Hier viel niets tegen te zeggen, want wij wisten, dat de glazen ramen het fortuin van den tuinman uitmaken, en wanneer de wind ze breekt, is dit zijn ondergang. — Ik ga alvast vooruit, zei vader Acquin; Benjamin en Alexis zullen met mij medegaan; Rémi, Martha en Lize volgen ons dan wel.

En zonder meer te zeggen, vertrok hij in allerijl, met niet minder haastigen tred door ons gevolgd. Nu was het geen tijd meer voor scherts; wij speelden geen krijgertje, noch verscholen ons achter boom of struik.

De lucht betrok hoe langer hoe meer, en het onweder kwam steeds dichterbij, door een hevige windvlaag voorafgegaan, die het stof van alle kanten opjoeg. Als wij ons midden in zulk een wervelwind bevonden, moesten we blijven staan, ons omkeeren en onze handen voor de oogen houden, want al het zand woei ons in het gelaat. Als wij niet voorzichtig ademhaalden, kwam onze mond vol stof. De donder rolde reeds in de verte en naderde langzaam, vergezeld van een oogverblindend licht.

Martha en ik hadden Lize bij de hand genomen en trokken haar bijna voort, maar zij had moeite om ons te volgen en wij konden dus niet zoo hard loopen, als we wel gewenscht hadden. Zouden wij nog vóór het onweder thuis zijn?

Zouden Acquin en zijn zoons hun woning nog bijtijds bereiken?

Voor hen was dit "van nog meer gewicht dan voor ons, daar wij alleen nat konden worden, terwijl zij hun broeikassen voor verwoesting moesten beboe-

Sluiten