Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l'oen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den toren der Tuileriën *) en gevoelde ik lust om te zien, of de klok en mijn horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op half één en de klok wees één uur. Wie van beide liep dus te langzaam of te snel? Ik gevoelde grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een oogenblik nadenken zag ik hiervan af; het was volstrekt niet zeker, dat mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat üe klok slecht ging. Ik borg dus mijn horloge weer in mijn zak en zei tot mezelf, dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschikste tijd was.

Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als ik wenschie te hebben, namelijk een, die op linnen geplakt was en dichtgevouwen kon worden, niet duurder dan twee francs, wat voor mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden en die Ut voor een prijsje kon koopen.

Nu kon ik Parijs verlaten, wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk te doen. Tusschen twee wegen kon ik kiezen; dien van Fontainebleau naar de grenzen van Italië of dien van Orléans over Montrouge; de een was mij even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van Fontainebleau koos. Toen ik op een bordje den naanvvan de straat Mouffetard las, kwamen tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Ricardo de knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitahs, mijn goede meester, die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den p a d r o n e in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige kerk in een knaap Mattia te herkennen; hij had hétzelfde groote hoofd, dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, bij was in dien tusschentijd niet gegroeid.

Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen; hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam een glimlach.

— Gij zijt immers met dien ouden man bij Garofoh, geweest juist toen ik op het punt stond om naar bet hospitaal te gaan? O wat had ik' toen eeii hoofdpijn! — En is Garofoli nog altijd uw meester?

Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde. , —,?aï°foli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen, omdat hij Orlando doodgeslagen heeft.

Het deed mij genoegen, dat Garofoh in de gevangenis zat en voor de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch ook haar nut hadden.

— En de jongens? vroeg ik.

— O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee jaar met vooruitbetaling aan bet paardenspel van Gassot. Kent gij het paardenspel van Gassot niet? Het is met heel groot, maar het is er toch een. Zij hadden daar een knaap noodig om bij den ingang te staan en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat miin hoofd te groot is om achter het loketje te zitten Ik heb Gisors, waar bet circus was opgeslagen, verlaten om weer bij Garofoli te komen, maar deze was nergens te vinden; het huis was gesloten, en een buurman heeft mij verteld, dat Garofoh in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen gegaan, daar ik niet wist wat te doen, of waarheen mij te begeven.

■ — Waarom zijt gij met naar Gisors teruggekeerd?

— Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar Rouaan vertrok en hoe zou ik te Rouaan komen? Het is veel te ver en ik heb geen geldsedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten.

Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest zijn, als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als Mattia op dit oogenblik, een stukje brood gegeven had. — Wacht mij hier, zei ik.

Ik hep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op een hoek van de straat woonde en keerde met een stuk brood, dat ik hem aanbood, terug; hij brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten.

— En wat wilt gij nu gaan doen? vroeg ik. — Dat weet ik niet.

*) De Tuileriën, een voormalig vorstelijk paleis te Parijs. Alleen op de Wereld. 15e dr. B

Sluiten