Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dat hebben we aan u te danken, Mattia, zei ik tot'mijn makker; alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen.

Toen ik dit zei, schoten mij plotsehng de woorden van vader Acquin te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weer had ik een bewijs, dat men beloond wordt voor het goede, dat men doet.

— Ik had een dwazer streek kunnen begaan, dan u in mijn troep op te nemen.

Met dertig francs in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die ons bij een oudroest drie francs kostte; hij was wel niet nieuw, maar toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen; voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak, dan nu én dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden, wat wij dragen moesten, eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger kunnen loopen. Toen wij Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed in-' gespannen; al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog acht en twintig francs over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik het uitmuntend met elkaar vinden en waren wij als broeders voor elkander.

— Gij begrijpt toch wel^ dat het al te mooi is, dat de chef van een troep nooit slaat, zei hij dikwijls, lachende. — Gij zijt dus tevreden?

— Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn land verlaten heb, verlang ik niet naar bet ziekenhuis.

Deze gunstige toestand prikkelde mijn eerzucht.

Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis, welke stad in dezelfde richting ligt als het dorp van vrouw Barberin. Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn dank bewijzen.

Als ik eens iets voor haar medebracht

Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden.

Wat zou ik haar geven? Lang zou ik, niet behoeven te zoeken.

Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het oogenblik, maar zelfs op haar ouden dag, — een koe, die de plaats van de arme Rousette zou kunnen intiemen. Hoe blij zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk een genot zou dit ook voor mij zijn!

Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en Mattia zou hem dan aan een touw het hek van vrouw Barberin binnenleiden — tenminste als Barberin er niet was. Vrouw Barberin, zou Mattia zeggen, hier breng ik u een koe. — Een koe! gij zijt verkeerd, mijn jongen. — En zij zou zuchten. — Neen vrouwtje, ik ben niet verkeerd, want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw Barberin heeft de prins — evenals in de sprookjes — gezegd, dat ik deze koe brengen moest. — Welke prins? — Ik zou dan te voorschijn komen en mij in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles verteld hadden, zouden we wafels gaan bakken, die wij drieën — en niet Barberin — zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen was en onze pan omgeworpen en de boter voor zijn uiensoep gebruikt had. Welk een héérlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik een koe kunnen koopen. Mj«B

Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van; zeker zeer duur; maar hoe duur dan wel? Ik wilde geen groote en geen zware koe. Want in de éérste plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien, hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet, dat mijn geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen.

Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten, of liever van een koe, zooals ik er een verlangde.

Gelukkig was dit niet zeer moeilijk voor mij, en onderweg of 's avonds in de herberg, kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of veekoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen. Maar de eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver, wiens eerlijk gelaat mij had aangetrokken, deed, lachte hij mij in mijn gezicht uit. De man sloeg met

Sluiten