Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dat is mijn makker.

Het was de tante van Alexis. Ik dacht, dat zij ons zou uitnoodigen binnen te treden en wat uit te russen, want wij waren doodmoe en verlangden erg naar rust; maar daar kwam niets van in; zij herhaalde slechts, dat ik, tegen zes uur terugkomende, Alexis zou vinden, die nu in de mijn werkte.

Ik durfde niet vragen, wat men mij niet aanbood; ik bedankte haar en wij begaven ons weer op weg om een bakker t$ zoeken, want wij hadden ergen honger, daar wij den geheelen dag nog niets gehad hadden dan een korstje brood, dat wij van den vorigen avond hadden overgehouden. Ik schaamde mij zelfs over deze ontvangst; want ik gevoelde, dat Mattia bij zichzelven vroeg, wat dit beteekende. Hadden wij daarom zooveel mijlen geloopen?

Ik meende, dat Mattia al een zeer slechte gedachte van mijn vrienden zou krijgen en dat, als ik hem weer over Lize sprak, hij niet met dezelfde aandacht naar mij luisteren zou. En ik was er bijzonder op gesteld, dat hij vooruit reeds van haar zou houden. De wijze, waarop wij ontvangen waren, spoorde mij niet aan om weer naar die woning terug te keeren en wij besloten Alexis bij den uitgang van de mijn op te wachten.

Men haalt de kolen uit de mijn Truyère door drie schachten: de Saint-Julien, Saint-Alphonsine en Saint-Pancrace; wij vatten post bij een van deze schachten om Alexis op te wachten. Eenige minuten vóór zessen, zag ik in de diepten van die duistere gangen lichtjes flikkeren, die al spoedig grooter werden. Het waren de mijnwerkers, die, met hun lampje in de hand, weer in het daglicht terugkeerden, nadat hun arbeid volbracht was.

Zij naderden langzaam met zwaren tred, alsof zij pijn Jn de knieën hadden, wat ik mij later zeer goed begrijpen kon, toert ik zelf verscheidene trappen en ladders, die tot de onderste gangen leiden, was afgedaald; hun gelaat was even zwart als dat van de schoorsteenvegers en hun kleeren en hoeden waren met een laag stof en moddervlekken bedekt. Toen zij voorbij de plaats kwamen, waar de lampen bewaard werden, hing elk zijn lamp aan een spijker.

Hoewel ik zeer oplettend toekeek, zag ik Alexis er toch niet uitkomen, en ais hij mij niet om den hals gevallen was, zou ik hem zeker voorbij hebben laten gaan, zonder hem te herkennen, zoo weinig geleek hij thans, nu hij met stof en roet bedekt was, op mijn makker, die in den tuin met ons speelde in zijn hagelwit hemd en zijn lagen kraag, waaruit zijn blanke borst te voorschijn kwam.

— Dat is Rémi, zei hij tot een man van omstreeks veertig jaar, die naast hem liep en een open) goedhartig gelaat had, evenals vader Acquin, wat ook niét te verwonderen was, daar zij broeders waren.

Ik begreep, dat het oom Gaspard moest zijn.

— Wij'wachtten u reeds lang, zei hij vriendelijk.

— Het is een lange weg van Parijs naar Varses.

— En uw beenen zijn kort, hernam hij lachend.

Capi, die blijde was, dat hij Alexis terugzag, sprong aanhoudend tegen hem op en beet nu eens in* zijn mouw, dan weder in- zijn broek.

Intusschen vertelde ik aan oom Gaspard, dat Mattia mijn vriend en metgezel was, een goede jongen, dien ik reeds vroeger had gekend en dien ik thans weergevonden had en die mooier dan iemand anders op den waldhoren blazen kon.

— En dat is Capi? vroeg oom Gaspard. Morgen is het Zondag en als gij dan uitgerust zijt, kunt ge ons dus een voorstelling geven. Alexis zegt, dat deze hond verstandiger is dan een schoolmeester of een tooneelspeler.

Zoo weinig als ik mij in tegenwoordigheid van tante Gaspard op mijn gemak gevoeld had, zoo weinig verlegen was ik in het bijzijn van haar echtgenoot; hij was werkelijk de waardige broeder van vader Acquin.

— Ga nu maar met elkander vooruit, want gij zult elkaar wel veel te vertellen'hebben; ik zal mij bezig houden met dit jonge mènsch, dat zoo mooi op den waldhoren blaast.

Wij zouden stof voor een gansche week gehad hebben, en dan zelfs zouden wij nog niet uitgepraat zijn. Alexis wilde alles van mijn reis weten en ik, van mijn kant, wenschte te vernemen, hoe hem dit nieuwe leven aanstond; op die wijze deden 'wij elkaar zooveel vragen, dat we geen van beiden aan antwoorden dachten. Wij liepen langzaam en alle werklieden, die zich naar huis begaven haalden ons in; het was een lange rij, die bijna de geheele straat besloeg en allen waren even zwart en met hetzelfde stof overdekt, dat op den grond in een dikke laag lag verspreid.

Sluiten