Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mengel. Na de trap volgden de ladders en na de ladders een andere trap.

— Nu hebben we de eerste laag bereikt, zei hij. •

Wij waren in een gewelfde gang met rechte wanden, waarvan de muren waren gemetseld. Het gewelf was niet hooger dan een manslengte, maar op enkele plaatsen moest men zich bukken om erdoor te gaan, hetzij omdat het gewelf gezakt was, of omdat de grond hooger was geworden.

— Dat is het gevolg van de verschuiving van het terrein, sprak Gaspard. Daar de berg overal doorgraven is en zich telkens holten vormen, zakt de aarde en wanneer zij te zwaar drukt, dan worden de gangen saamgeperst.

Op den grond lagen spoorwegrails en naast de gang stroomde een beekje.

— Deze beek vereenigt zich met andere, die, evenals zij, het doorgesijpelde water in zich opnemen; zij stortten zich allen in een put. Duizend of twaalfhonderd kubieke meter water moet de machine dagelijks in de Divonne werpen. Wanneer zij stilstond, zou er onmiddellijk een overstrooming volgen. Op dit oogenblik bevinden we ons juist onder de Divonne.

Toen ik een onwillekeurige beweging maakte, begon hij hartelijk te lachen.

— Op vijftig meter diepte bestaat er volstrekt geen gevaar, dat zij in uw hals zal vallen. — Als ze een gat boorde?

— O ja, een gat. Wel tien gangen loopen onder de rivier; er zijn mijnen, waarin men voor overstroomingen bevreesd is, maar dat is bij deze het geval niet; hier hebben we genoeg aan ontploffingen van 't mijngas en de instortingen.

Toen we onze werkplaats genaderd waren, legde Gaspard mij uit, wat ik te verrichten had, en toen onze wagen vol steenkolen geladen was, duwde hij hem voort om mij te wijzen, hoe ik hem naar den put moest rollen en wat ik doen moest, als ik een anderen wagen tegenkwam.

Hij had gelijk, toen hij zei, dat het geen moeilijk werk was, en al was ik binnen weinige uren geen bekwaam arbeider, ik kon hem toch voldoende bijstaan. Wel had ik er nog den slag niet van en was ik nog niet handig, eri Wanneer men He»e hoirle oiMnd^/m,'» A< „1 „, __, j ■ °' , „_

—. „v^v. «v.i^vj u6wiowiaj>j.wi uuai, viau aiaagi inca iciueu ui een van. IK

;; was dus genoodzaakt om mij meer in te spannen, waarvan langzamer werken ten grooter vermoeidheid het gevolg was. Gelukkig was ik bestand tegen dergepSfke vermoeienissen door mijn levenswijze en vooral door de laatste reis; ik beklaagde mij dus niet en oom Gaspard verklaarde, dat ik een flinke jongen

Maar had ik grooten lust gevoeld om in de niijn af te dalen; ik had weinig jzin om er in te blijven; mijn nieuwsgierigheid had mij er toe doen besluiten maar toch gevoelde ik voor het mijnwerken niet de minste roeping. I Om onder den grond te leven moet men bijzondere hoedanigheden bezitten, die ik miste; men moet van stilte en eenzaamheid en een in-zich-zelf gekeerd leven houden. Meft moet urenlang, geheele dagen, verdiept in eigen mijmeringen, zonder ooit met iemand een woord te kunnen wisselen, noch zich eenige «(leiding te kunnen verschaffen, in de mijn doorbrengen. En tot zulk een bestaan was ik ten eenemale ongeschikt, daar ik te veel gewend was aan een zwervend leven, waarbij ik zingen en loopen kon zooveel ik wilde; ik gevoalde mij al dien tijd, dat ik het wagentje door die donkere gangen voortrolde, treurig en droefgeestig gestemd; het flauwe hcht, dat uit mijn lampje straalde, het geluid van het rollen der andere wagens in de verte, het kletteren van het water in de beek en nu en dan de kruitontploffingen in.de mijn, die in deze dooPehjke stilte nog akeliger en zwaarder klonken — dat alles viel niet in mijn geest. Daar het reeds een zwaar werk is, om de mijn binnen te gaan of ze te iperlaten, blijft men den ganschen dag, die twaalf uren duurt, er in en men komt biet boven om te eten; men gebruikt het middagmaal onder den grond.

In de mijn van oom Gaspard was een opperman werkzaam, die inplaats van een kind te zijn, zooals ik en de anderen, integendeel een oud man 'was met een witten baard. Als ik zeg met een witten baard, moet men daarbij wel in aanmerking nemen, dat die slechts des Zondags wit was, wanneer de man zich fBS™ had eewassclien> want in de week begon hij des Maandags met grijs te zijn, om des Zaterdags geheel zwart te wezen. De man was ongeveer zestig Jaar oud. In zijn jeugd was hij tuinman geweest; daarna moest hij zorgen voor het onderhoud van het hout, dat in de gangen aangebracht was; maar bij een instorting waren drie vingers verbrijzeld, zoodat hij zijn taak niet langer had > «tinnen volhouden. De maatschappij, in wier dienst hij was, had hem een klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl hij drie zijner

Sluiten