Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was het moeilijker. Wij moesten twee treden in den wand uitgraven, en opdat wij geen gevaar zouden loopen om in den afgrond te storten, moesten die treden vrij breed zijn en er voor drie of vier personen plaats op wezen. De opzichter sloeg ons werk met de grootste aandacht gade. Terwijl wij groeven, vonden wij onder het zand eenige stukjes hout, die ons van zeer veel nut waren om te beletten, dat de uitgehouwen steenen weggleden.

Toen wij drie uren gewerkt hadden, zonder een oogenblik te rusten hadden wij een vloer uitgehouwen, waarop wij konden zitten.

— Voor het oogenblik is het genoeg, beval de schoolmeester; later zullen wij den houten vloer verbreeden, zoodat wij er op kunnen liggen; wij moeten onze krachten niet noodeloos verspuien, want we zullen ze nog te veel moeten gebruiken.

Wij namen plaats; vier op de benedenste en drie op de bovenste trede.

— Wij moeten ook zuinig met ons licht zijn, waarschuwde de meester, laten we de lampen dus, op een na, uitdooven. . '

Deze bevelen werden terstond opgevolgd. De lampen zouden uitgedraaid worden, maar plotseling wenkte hij, dat men hiermede niet moest voortgaan.

— Wacht even, hernam hij, een tocht kan ons hcht uitdooven; het is niet waarschijnlijk, maar wij moeten zooveel mogelijk op alles rekenen; wie heeft er lucifers bij zich? Hoewel het streng verboden was om in de mijn licht aan te steken, hadden bijna alle werklieden lucifers in den zak en daar de opzichter niet tegenwoordig was om deze inbreuk op de wet te straffen, antwoordden vier stemmen op deze vraag: Ik.

— Ik heb ze' ook, vervolgde de meester, maar zij zijn vochtig.

Dit was met de anderen eveneens het geval, want ieder had de lucifers in zijn broekzak en wij waren tot aan de borst of de schouders in 't water geweest. Een der arbeiders, Carrory, sprak toen: — Ik heb ze ook.

— Vochtig? — Dat weet ik niet, ze zijn in mijn muts.

— Geef dan uw muts hier. >

Inplaats van zijn muts te geven, zooals men hem verzocht, een zwartbonte muts, reikte hij ons zijn lucifersdoosje; dank zij de goede bewaarplaats waren deze tenminste niet vochtig geworden.

— Blaast nu de lampen uit, beval de schoolmeester.

Eén lamp bleef nog branden, maar deze verlichtte terauwernood onze steenen stolp.

WË^ , IN DE ZIJGANG.

XXVI.

Diepe stilte heerschte er in de mijn, geen geluid drong meer tot ons door; het water lag onbeweeglijk aan onze voeten, zonder dat een "rimpel het plooide of het minste gekabbel werd gehoord; de mijn was vol, zooals de meester gezegd had, en het water, nadat het alle gangen van boven tot onder had gevuld, sloot ons in onze gevangenis steviger en hermetischer dan een steenen muur dit had kunnen doen. Die loodzware, ondoordringbare stilte, die doodsche kalmte was vreeselijker en kwellender, dan het helsche leven, dat wij gehoord hadden bij het binnendringen van het water; wij waren in'een graf, levend begraven onder dertig of veertig meter aarde. Het werk hield den geest bezig en gaf ons afleiding; de rust deed ons den toestand, waarin wij verkeerden, beseffen en van allen, zelfs van den meester, maakte zich een soort van bedwelming meester. Eensklaps voelde ik op mijn hand warme droppels vallen. Een der arbeiders weende in stilte.

Op hetzelfde oogenblik hoorden wij op de bovenste trede een diepen zucht slaken en op klagenden toon roepen: — Marras! Marius!

De vader dacht aan zijn zoon

Met moeite slechts ademden wij de lucht in; ik gevoelde mij bedrukt en aanhoudend suisde het in mijn ooren.

Misschien verkeerde de meester in een minder bewusteloozen toestand dan wn, of wilde hij daartegen strijden en ons beletten om er ons aan over te geven; althans hij was de eerste, die de stilte verbrak:

— Nu, zei hij, moéten wij eens zien hoe groot onze voorraad eetwaren is.

Sluiten