Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Gelooft gij dan, dat wij lang zullen opgesloten blijven? viel Gaspar* hem m de rede,

— Neen, maar wij moeten onze voorzorgen nemen; wie heeft er brood bii zich? — Niemand gaf antwoord.

— ü, zei ik, ik heb een korstje brood in mijn zak.

— In welken zak? — In mijn broekzak.

— Dan zal het wel doorweekt zijn; maar laat het ons toch eens zien.

Ik stak mijn hand in den zak, waarin ik dien morgen een snede yersch brood bewaard had; ik haalde een stuk deeg te voorschijn, dat ik op het punt was om teleurgesteld weg te werpen, toen de meester mij weerhield.

— Bewaar het nog, hoe slecht het ook is, gij zult het spoedig genoeg lekker vinden

Dat was geen geruststellende waarschuwing, maar wij sloegen er geen acht op; later eerst kwamen die woorden mij weer in het geheugen en bewezen mij toen, dat de meester van het eerste oogenblik af het volle bewustzijn van onzen toestand had, en al zag hij nu juist niet in, welk een gebrek aan voedsel ons te wachten zou staan, en hoe vreeselijk wij daaronder zouden lijden, hij begreep toch ten volle met welke moeilijkheden onze redding zou gepaard' gaan.

— Heeft nog iemand van.u brood? vroeg hij.

Men gaf geen antwoord. — Dat is jammer, vervolgde hij.

— Hebt ge dan honger? vroeg er een. — Ik spreek niet voor mezelf, maar voor Rémi en Carrory; het brood zou voor hen zijn.

— En waarom zouden wij het niet onder elkander verdeden? vroeg Bergonhoux; dat zou onbillijk zijn, de honger is voor ons allen hétzelfde.

— Dus als er brood was, dan zouden we twist gekregen hebben Gij hebt beloofd, mij te zullen gehoorzamen; maar ik zie, dat gij mij met gehoorzaamt, dan na uw misnoegen te kennen gegeven, en met elkander uitgemaakt te hebben, of ik rechtvaardig handelde. — Bergounhoux zou gehoorzamen.

— Er zou misschien een twist uit ontstaan, en twisten mogen wij niet; ik zal u dus zeggen, waarom Rémi en Carrory het brood zouden gehad hebben. Niet ik heb dat zoo bepaald, maar de wet: ,,De wet heeft gezegd, dat wanneer bij een algemeene ramp verscheidene personen omkomen, de oudste beneden de zestig jaren geacht zal worden, de anderen te hebben overleefd," waarin opgesloten ligt, dat Rémi en Carrory, uithoofde van hun jeugd, minder weerstand aan den dood zullen bieden dan Pages en Compayrou.

— Gij zijt toch ook ouder dan zestig jaar.

— O, ik tel niet miede; bovendien ben ik gewoon mij zeer matig te voeden.

— Dus zou het brood, als ik het gehad had, toch voor mij. wezen? vroeg Carrory. — Voor u en Rémi. — Als ik het met had willen geven?

— Dan zou men het u hebben afgenomen; gij hebt gezworen te gehoorzamen Hij zweeg geruimen tijd; eensklaps haalde hij iets uit zijn muts te voorschijn

— Daar hebt gij een stuk, — Die muts van Carrory was dus onuitputtelijk Carrory spande alle krachten in om zijn muts te behouden, maar hij moest

voor de overmacht zwichten en de muts werd aan den meester overhandigd.

Deze verzocht om de lamp en wierp toen een blik tusschen de voering van het hoofddeksel. Hoewel wij niet in een zeer vroolijken toestand waren, werd dit onderzoek met vreugdegejuich begroet.

De muts bevatte: een pijp tabak, een sleutel, een stukje worst, een perzikpit waarvan een fluitje was gemaakt, afgekloven schapecoteletten, drie versche noten en een ui. Zij was dus provisiekast en kleedingstuk tevens.

— Het brood en de worst zullen we tusschen Rémi en u verdeelen.

— Maar ik heb reeds honger, hernam Carrory op smeekenden toon.

— Van avond zult ge nog meer honger hebben.

— Hoe jammer, dat hij geen horloge ook in zijn pet heeft! "Wij zouden nu weten hoe laat het was; het mijne staat stiL — Het mijne ook.

De gedachte aan een horloge bracht ons tot de werkelijkheid terug. Hoe laat was het? Hoe lang bevonden wij ohs in de gang? Wij wisselden daarover van gedachten, maar konden het niet eens worden. De een meende dat het twaalf uur in den morgen was; de ander, dat het zes uur *s avonds was. Hiermede bedoelde deze, dat wij reeds tien uren en de anderen, dat wij pas vijf uren waren opgesloten. Dit was het eerste verschil van gevoelen, dat zich openbaarde, een verschil, dat ook later hij herhaling bleek én een groote verwijdering teweegbracht. Wij waren niet in een stemming om te spreken, alleen om

Sluiten