Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Gelooft gij dan, dat wij lang zullen opgesloten blijven? viel Gaspar* hem m de rede,

— Neen, maar wij moeten onze voorzorgen nemen; wie heeft er brood bii zich? — Niemand gaf antwoord.

— ü, zei ik, ik heb een korstje brood in mijn zak.

— In welken zak? — In mijn broekzak.

— Dan zal het wel doorweekt zijn; maar laat het ons toch eens zien.

Ik stak mijn hand in den zak, waarin ik dien morgen een snede yersch brood bewaard had; ik haalde een stuk deeg te voorschijn, dat ik op het punt was om teleurgesteld weg te werpen, toen de meester mij weerhield.

— Bewaar het nog, hoe slecht het ook is, gij zult het spoedig genoeg lekker vinden

Dat was geen geruststellende waarschuwing, maar wij sloegen er geen acht op; later eerst kwamen die woorden mij weer in het geheugen en bewezen mij toen, dat de meester van het eerste oogenblik af het volle bewustzijn van onzen toestand had, en al zag hij nu juist niet in, welk een gebrek aan voedsel ons te wachten zou staan, en hoe vreeselijk wij daaronder zouden lijden, hij begreep toch ten volle met welke moeilijkheden onze redding zou gepaard' gaan.

— Heeft nog iemand van.u brood? vroeg hij.

Men gaf geen antwoord. — Dat is jammer, vervolgde hij.

— Hebt ge dan honger? vroeg er een. — Ik spreek niet voor mezelf, maar voor Rémi en Carrory; het brood zou voor hen zijn.

— En waarom zouden wij het niet onder elkander verdeden? vroeg Bergonhoux; dat zou onbillijk zijn, de honger is voor ons allen hétzelfde.

— Dus als er brood was, dan zouden we twist gekregen hebben Gij hebt beloofd, mij te zullen gehoorzamen; maar ik zie, dat gij mij met gehoorzaamt, dan na uw misnoegen te kennen gegeven, en met elkander uitgemaakt te hebben, of ik rechtvaardig handelde. — Bergounhoux zou gehoorzamen.

— Er zou misschien een twist uit ontstaan, en twisten mogen wij niet; ik zal u dus zeggen,