Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Het water, dat weet ik niet; eerst zou ik moeten weten, hoeveel water er in de mijn is: 200,000 kubieke meter of 300,000 misschien; dat kan ik niet beslissen. Maar om tot ons door te dringen, behoeft men niet aUes eerst uit te pompen; wij bevinden ons in de bovenste laag en daar men de drie putten tegelijk met twee tonnen zal uitloozen; zullen zes tonnen elk 25 hectoliter water putten; dus 150 hectoliter zullen tegelijk worden uittgepompt. Gij ziet dus, dat het vrij snel in zijn werk kan gaan.

Men begon toen te overleggen, welke maatregelen het best waren; ik voor mij begreep uit dit gesprek alleen dat, alles van de gunstige zijde bezien, wij minstens acht dagen lang levend begraven zouden blijven.

"Acht dagen! De meester had gesproken van werklieden, die 24 dagen opgesloten waren geweest, maar dat was een verhaal en wij verkeerden in de werkelijkheid. Toen deze gedachte bii mij had post gevat, luisterde ik niet meer naar het gesprek! Ik weet niet, hoe lang deze gedachte mij bezig bjjeld, Toén zij allen zwegen.

— Luister, sprak Carrory, ih wien, juist omdat hij zoo weinig beschaafd was, de dierlijke eigenschappen meer ontwikkeld waren dan bij ons.

— Waarnaar? — Ik hoorde iets in het water.

— Gij zult een steen hebben laten .vallen — Neen, het is een dof geluid. Wij luisterden

Ik had een zeer fijn gehoor, maar slechts voor die geluiden, welke men in het leven op de wereld waarneemt; hier hoorde ik niets. Mijn makkers, die gewoon waren aan de geluiden in de mijn, waren/ gelukkiger dan ik.

— Ja, antwoordde de meester; er gebeurt iets in het water.

— Wat, meester? — Dat weet ik niet.

— Het water valt.

— Neen het geluid is niet aanhoudend; het is telkens een geregelde schok.

— Geregeld schokken! dan zijn wij gered, kinderen! Hét is het uitpompen van het water met de tonnen. — Het uitpompen van het water

Allen tegelijk en op denzelfden toon herhaalden wij deze woorden en als door een electrische vonk getroffen, richtten wij ons op.

Wij waren slechts veertig meter onder den grond; de lucht was niet meer drukkend; de wanden wogen niet loodzwaar meer op ons hoofd; het gesuis in onze ooren had opgehouden; wij haalden vrij adem en ons hart klopte weer in onze borst Carrory greep mijn hand en drukte deze krachtig:

— Ge zijt een beste jongen, zei hij. — Wel neen, gij zijt het.

— Ik zeg, dat gij het zijt. — Gij hebt het eerst de tonnen gehoord.

Maar hij wilde met alle geweld, dat ik een beste jongen was; hij deed denken aan de vriendschapsbetuiging van een dronken man en inderdaad, wij waren dan ook dronken; dronken van hoop.

Helaas! deze hoop zou niet spoedig verwezenlijkt worden; voor geen van ons.

Vóór wij het warme zonlicht zouden terugzien, vóór wij het ruischen van den wind door de bladeren zouden hooren, zouden wij nog vele lange en treurige dagen hier moeten doorbrengen, allerlei leed en kwellingen moeten doorstaan, ons zelf en elkander telkens afvragende, of wij wel ooit het daglicht zouden terugzien, en of wij wel ooit dat geruisch in de boomen weer zouden hooren. Maar om die vreeselijke ramp, welke de mijnen van Truyère getroffen heeft, te verhalen, zooals zij gebeurd is, moet; ik thans de oorzaak ervan mededeelen en welke middelen de ingenieurs tot onze redding hadden aangewend.

Toen wij aien Maandagmorgen in de mijn waren nedergedaald, was de hemel bedekt en gevoelde men het naderen van een onweder. Tegen zeven uur was dit onweder losgebarsten en ging het met een waren zondvloed gepaard; de wolken, die zeer laag hingen, hadden zich in de kronkelende vallei der Divonne ontlast en toen zij eenmaal tusschen die heuvelring besloten waren, hadden zij zich er niet boven kunnen verheffen; zij hadden den ganschen voorraad water in het dal uitgestort; het was geen overstrooming, geen waterval, het was een wolkbreuk, een zondvloed geweest. In een oogenbhk was de Divonne en haar zrjTakken boordevol geloopen, wat zeer natuurlijk was, daar dé' steenen bodem het water niet in zich opneemt, jnaar dit de helhng van het terrein volgt om zich in de rivier te storten. Onmiddellijk was de steile bedding der rivier gevuld geraakt en de Saint-Anéol en de Truyère waren buiten haar oevers getreden. Door den was der Divonne teruggehouden, had het water uit de bedding der Truyère geen uitloozing kunnen krijgen en zich verspreid

Sluiten